|
Zegt het Nieuwe Testament wel
iets over de toekomst?
Bespreking van Andrew Perriman, The Coming of the Son of Man. New Testament Eschatology for an Emerging Church
(Milton Keynes:
Paternoster, 2005) 272 blz., £ 8,99.
De Engelman Andrew Perriman is bij sommigen bekend vanwege zijn boek Speaking of Women (1998) over Paulus’
visie op de plaats van de vrouw in de kerk. Voor de Engelse Evangelische
Alliantie heeft hij een rapport geschreven over het welvaartsevangelie (2003).
In dit nieuwe boek komt hij met een herinterpretatie van de gedeelten in het
Nieuwe Testament (NT) die over de toekomst gaan.
In een inleidend hoofdstuk geeft de schrijver een verantwoording van zijn
methode en een samenvatting van het boek Daniël. Dat boek vormt volgens hem het
patroon waarop het NT voortborduurt.
Er volgen twee hoofdstukken over Jezus’ ‘Rede over de laatste dingen’
(Matteüs 24, Markus 13, Lukas 21) en één over het overige materiaal in de drie
eerste Evangeliën. De auteur volgt de bekende Bijbeluitlegger bisschop Tom
Wright en anderen die stellen dat de Here Jezus alleen spreekt over de
verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 na Christus en dat er dus in Matteüs
24 niets staat wat ook nu nog toekomst is. [Tom Wright is een geweldig goede
Bijbeluitlegger en vrijwel alles wat hij schrijft is zeer de moeite waard.
Alleen als het over de toekomst gaat, ben ik het absoluut met hem oneens.]
Volgens Perriman gaan ook alle
andere teksten uit de evangeliën die iets over de toekomst zeggen, zoals de
gelijkenissen over talenten, over wat hij ‘de terugkeer’ van Jezus in het jaar
70 noemt. Maar is Jezus dan al teruggekeerd?
Onomwonden spreekt Perriman over het jaar 70 als de totale verwerping van
het volk Israël. Hij vindt dat die verwerping de glorie van de Mensenzoon
zichtbaar maakt. Volgens de schrijver werd de Here Jezus ook verheerlijkt door
de latere ineenstorting van het Romeinse rijk en door de verbreiding van het
evangelie over de gehele wereld. Die dingen bij elkaar noemt Perriman ‘de komst
in glorie’ van Jezus Christus. Hij is zelfs nog radicaler dan Tom Wright
wanneer hij zegt dat het Koninkrijk van God in het jaar 70 begon en dat de wet
van Mozes sindsdien is afgeschaft aangezien hemel en aarde zijn voorbijgegaan
(vgl. Mt 5:18).
De volgende drie hoofdstukken gaan over Paulus, en ook hier is de conclusie
dat alles wat Paulus ooit schreef over de toekomst, in het jaar 70 al is
vervuld, bijvoorbeeld wat de brieven aan de Tessalonicenzen zeggen over de
terugkeer van Jezus (1 Tes. 4) en over de wetteloze mens (2 Tes. 2). In het
voorbijgaan wordt hetzelfde gesteld over de inhoud van Johannes 14:3,
Handelingen 3:21 en 2 Petrus.
Twee hoofdstukken zijn gewijd aan Openbaring. Hier maakt Perriman een
scherp onderscheid tussen de hoofdstukken 6-11, welke zouden gaan over de
ondergang van Jeruzalem, en de hoofdstukken daarna, die volgens hem op Rome
slaan; maar vervuld is het allemaal. Zelfs Jezus’ belofte ‘Ik kom spoedig’ in
Openbaring 22 slaat op het jaar 70! Alleen 20:7-15 en hoofdstuk 21 zijn nog
niet vervuld.
Perrimans laatste hoofdstuk behandelt onder andere Romeinen 9-11. Het
centrale vers Romeinen 11:25, waarin Gods trouw aan het joodse volk wordt
uitgesproken, wordt in een paar zinnen wegverklaard. Volgens de schrijver is
het hier beloofde heil voorwaardelijk. Wat Perriman betreft heeft Israël
helemaal afgedaan als volk van God.
Over de kerk is Perriman juist heel optimistisch. Volgens hem leven wij
sinds het jaar 70 in het aardse koninkrijk Gods dat onwankelbaar gevestigd is.
Satan is voor een symbolische 1000 jaar gebonden. De ‘eerste opstanding’ heeft
al plaatsgehad en de geloofsmartelaren - gedood door de Joden! - regeren met
Christus.
Wat Perriman zegt is niet nieuw en het is ook niet begonnen bij Tom Wright.
Met zijn grote nadruk op het jaar 70 als vervulling van het NT staat hij in
feite op de schouders van James Stuart Russell die in het boek The Parousia (1878) stelde dat alles wat
het NT zegt over de toekomst al in 70 vervuld is. Perriman zelf verwijst niet
naar Russell.
Van de toekomstverwachting van het Nieuwe Testament blijft bij Perriman dus
weinig over doordat hij beweert dat vrijwel alles al is gebeurd. Ik heb grote
moeite met zijn opvatting van wat er gebeurde in het jaar 70. Ik noem een paar
voorbeelden:
· Het is toch
vreemd om te zeggen dat Christus door de gebeurtenissen in 70 verheerlijkt
werd? Dat jaar was een ramp voor de Joden. Weet Perriman wel dat Jezus een jood
is?
· Hoe verhoudt
deze uitleg zich tot de datering van de boeken van het Nieuwe Testament? Als
Perriman gelijk heeft, waarom wordt er in de boeken die na het jaar 70
ontstonden dan niet openlijk op dat jaar teruggeblikt?
· Ik geloof niet
dat de eerste christenen zo door de Joden werden vervolgd als Perriman
suggereert. Zeker gebeurde er wel een en ander, maar Perriman overdrijft de
situatie.
· De verwoesting
van stad en tempel in 70 was voor de Joden natuurlijk diep ingrijpend, maar
veranderde er voor de christenen echt zoveel als Perriman suggereert?
Conclusie
Het boek haalt veel overhoop en is eigenlijk te kort om de onderwerpen die
het aansnijdt goed uit te werken. Als gevolg hiervan provoceert Perriman wel
maar hij bewijst zijn standpunten niet echt. De dialoog met vakgenoten vindt
plaats in de voetnoten.
De tekst leest vlot maar is beslist niet simpel doordat er veel technische
exegese in staat. Het wemelt van de Griekse woorden en van verwijzingen naar de
Makkabeeën en Josefus. Ook is de ordening van de stof binnen de hoofdstukken
soms eerder associatief dan logisch. Perriman zelf zegt dat hij narratief te
werk gaat – een modieuze kreet.
Zijn conclusies zijn voor mij ongeloofwaardig. Ik ben bang dat de visie van
de schrijver op het eind van Gods bemoeienis met de Joden iets antisemitisch in
zich heeft. Dit is een boek vol vervangingstheologie (die stelt dat de kerk in
de plaats van Israël is gekomen) en daarop zaten we niet te wachten.
Dr. Pieter J. Lalleman
Deze boekbespreking verscheen eerder in Soteria
(23e jaargang 4 – 2006) en werd door de auteur speciaal voor Apologia bewerkt. |