|
Geplaatst op vrijdag 25 augustus 2006 17:00, vrijdag 25 augustus 2006 17:13 Nederlands Dagblad.
|
|
| |
Geef de doden stem: lees oude boeken
door gert van de wege
'Het ene geslacht gaat en het andere geslacht komt, maar de aarde staat
in eeuwigheid', schreef de Prediker. Volgens Job waren zijn dagen
sneller dan een weversspoel. Ook de psalmdichter wist het: de mens is
als 'een bloem des velds' die bloeit, maar de wind gaat erover, 'en
haar plaats kent haar niet meer'.
Een mens is vergankelijk, en afgezet tegen de eeuwigheid van de aarde
loopt hij hier maar even rond. 'Wat is een mens in de oneindigheid?',
vroeg Pascal zich af: 'Vergeleken met hoe de dingen werkelijk zijn
brengen we slechts atomen voort.' We zijn nietig, niet alleen
vergeleken met de oneindigheid van de ruimte, waarop Pascal doelde,
maar ook vergeleken met de oneindigheid van de tijd.
Dit zijn oudejaarsavondgedachten, en er zijn kerken in Nederland waar
de op 31 december toch al bedrukte stemming gevoed wordt door flink op
de trom van vanitas en Laatste Oordeel te slaan. Daar schuilt het
gevaar in dat gedachten over onze kortstondigheid verworden tot
sentimenten, of sentimentaliteit. Er moet echter ook te leven zijn met
het idee van onze nietigheid. Het is een inzicht waarvan we doordrongen
zouden moeten zijn en op basis waarvan keuzes zijn te maken. Het is
geen gevoel dat her en der knaagt aan ons verder fijne bestaan; het is
de realiteit ervan.
Vooruit
In de christelijke traditie is het vaak de prikkel geweest tot een
leven sub specie aeternitatis (in het licht van de eeuwigheid). Daarbij
was de blik vooruit gericht: na dit aardse bestaan kwam er een
eindeloze eeuwigheid , die 'eeuwig wel of eeuwig wee' inhield. Dat was
zo allesbepalend, dat het leven hier en nu geheel in het teken ervan
kwam te staan. Het aardse leven was slechts een opmaat voor de
eeuwigheid. Elk facet van het leven werd beschouwd op zijn
consequenties voor het hiernamaals. Soms leidde dat tot iets wat nu al
snel naargeestig gevonden zou worden. Dat het ook anders kan, bewijst
de roman Gilead (2004) van Marilynne Robinson, waar de verteller over
zijn oude collega-predikant Boughton opschrijft: 'Boughton zegt dat hij
per dag meer ideeën over de hemel heeft. Hij zei: ,,Vooral omdat
ik nadenk over de heerlijkheid van de wereld en die dan met twee
vermenigvuldig. Als ik de kracht had, vermenigvuldigde ik ze met tien
of twintig. Maar twee is voor mijn doel meer dan genoeg.'' Dus zo zit
hij daar dan het voelen van de wind met twee te vermenigvuldigen, en de
geur van het gras.'
Er is ook een andere benadering mogelijk, die overigens niet strijdig
hoeft te zijn met de vorige. Je zou de blik ook achteruit kunnen
richten. We zijn niet alleen nietig ten opzichte van wat komt, maar ook
ten opzichte van wat geweest is. Daarbij hoeven we niet meteen in
kosmische begrippen te denken; wanneer we de geschiedenis bezien voor
zover mensen daarin een rol spelen, springt onze kleinheid al voldoende
in het oog. Dat gebeurt ook wanneer de blik alleen gaat langs de
Griekse cultuur vanaf Homerus, de Romeinse en de middeleeuwse wereld,
om dan via de Renaissance het huidige tijdperk te naderen. Iedereen die
op dit (en trouwens op elk) moment leeft, is iemand 'die nog maar net
komt kijken'. Een nieuwe werknemer bij een oud bedrijf met
eerbiedwaardige tradities, zoiets. Hij kan denken dat hij zich van die
tradities niets hoeft aan te trekken, dat hij de kennis en wijsheid die
daarin is opgetast straffeloos kan negeren. De schrijver van Spreuken
waarschuwde echter al dat een wijze zoon zijn vader verblijdt, 'maar
een zot mens veracht zijn moeder'.
Geijkt
Dit besef kan ons bescheidenheid bijbrengen. Het zou ons ook
wantrouwend kunnen maken tegenover alles wat zich als nieuw of
vernieuwend presenteert. Het is welbeschouwd merkwaardig dat een woord
als vernieuwend ons als een reclamekreet in de oren klinkt, terwijl het
slechts een feitelijke eigenschap van iets beschrijft. Iets
vergelijkbaars, maar dan omgekeerd, is er met het woord geijkt aan de
hand. Wanneer ik zeg dat iemand zich van de geijkte termen bedient, zal
dat meestal opgevat worden als een negatieve kwalificatie. De geijkte
termen, dat zijn termen waar het leven uit is; de gebruiker ervan had
beter woorden kunnen kiezen waaruit bleek dat het vraagstuk dat hij
behandelt echt 'door hem heen gegaan' was, zodat het 'authentiek' was
geweest. Maar een instrument dat geijkt is, is een instrument dat aan
de eisen voldoet die eraan gesteld worden. Het is betrouwbaar. Zo zijn
geijkte termen en beelden ook: ze zijn beproefd en adequaat bevonden.
Dat ze, om met Geerten Gossaert te spreken, bezield en onbezield
gebruikt kunnen worden, is een ander verhaal.
Maar het besef van het verleden kan ons ook in de goede zin van het
woord eigenwijs maken, dat wil zeggen los van de waan van de dag of van
de 'tijdgeest'. Wie voldoende belezen is in de christelijke traditie
van, zeg, Augustinus over Bernardus of Thomas (van A. of van K.) tot
Calvijn en Pascal, is minder vatbaar voor theologische modes dan wie de
theologie ergens in het laatste decennium laat beginnen. Wie het
bijbelboek Spreuken of De staat van Plato tot zich heeft laten
doordringen, laat zich iets minder gemakkelijk van de wijs brengen dan
degene voor wie het denken over bijvoorbeeld opvoeding en onderwijs met
de huidige ideeën erover begint.
Zeebries
Die eigenwijsheid tref ik te weinig aan. Ik verbaas me er soms over hoe
weinig christenen het geloof werkelijk blijken te belijden met de kerk
van alle tijden. Een theoloog of moralist die anno 2006 opvattingen
uitspreekt die zonder restricties zouden zijn aanvaard door het gros
van de christenen tot pakweg 1960, loopt nu het risico te worden
afgewimpeld met nietszeggende argumenten. Je kunt dat nu niet meer zo
zeggen, het is pastoraal niet verantwoord, je verliest er de
aansluiting met je tijdgenoten mee - er zijn tal van gemeenplaatsen die
worden aangewend om dinosaurussen niet serieus te nemen. Het punt is
dat we niet alleen hén niet serieus nemen, maar mogelijk ook de
kerk van alle tijden waarvan we zeggen deel uit te maken en waarvan zij
de stem zouden kunnen zijn.
Ik bedoel niet dat wij moeten ophouden met denken omdat er al voor ons
gedacht is. De oude tijden zijn niet per se beter dan de nieuwe. C.S.
Lewis heeft daarover een en ander geschreven in zijn essay 'On the
Reading of Old Books', dat oorspronkelijk verscheen als woord vooraf
bij een vertaling van Athanasius' De incarnatione Verbi. Lewis schrijft
daar dat elke tijd zijn eigen sterke en zwakke kanten heeft; in elke
tijd worden bepaalde waarheden bijzonder goed beseft, elke tijd is ook
in het bijzonder vatbaar voor bepaalde fouten. Daarom, schrijft Lewis,
hebben we juist die boeken nodig die de karakteristieke fouten van onze
eigen tijd corrigeren - oude boeken dus. Als we alleen nieuwe boeken
lezen, dan komen we als ze goed zijn dingen te weten die we toch al
half wisten, maar als ze slecht zijn verergeren ze de fout die ons toch
al in zijn greep heeft. 'Het enige medicijn is om de frisse zeebries
van de eeuwen door ons hoofd te laten waaien, en dat kan alleen door
oude boeken te lezen.'
Het aardige is dat Lewis in dit essay zijn theorie meteen in de
praktijk brengt. Hij gaat in op de zin uit de zogenaamde
Geloofsbelijdenis van Athanasius, waarin te lezen is dat wie het
algemeen geloof niet geheel en ongeschonden bewaart, zonder twijfel
voor eeuwig verloren zal gaan. Lewis legt uit dat het niet gaat om
mensen die nooit van het geloof gehoord hebben, maar om degenen die het
vaarwel zeggen: zij die het niet bewaren. En dat is, schrijft hij, een
waarschuwing 'tegen de merkwaardige moderne aanname dat een verandering
van geloof, waardoor die ook teweeg is gebracht, sowieso respectabel
is'.
De oude tijden mogen dan niet zonder meer beter zijn dan de nieuwe,
zonder de 'democratie van de doden', zoals Chesterton de traditie
noemde, dreigen we een speelbal te worden van grillen, modes en
allerhande ideologie, of ze nu een of vijftig jaar de tijd bepalen.
Daarom: wie midden in de zomer met oudejaarsgedachten rondloopt, maar
ook wie juist smachtend uitziet naar wat er het komend seizoen voor
nieuws in de boekhandel zal liggen, zou de raad van Lewis ter harte
moeten nemen om tegenover elk gelezen nieuw boek tenminste
één oud boek te lezen. (Als dat teveel voor u is, voegt
hij er aan toe, zet dan tenminste één oud boek tegenover
drie nieuwe.) Dante na Möring, Plato na weer een boek over
positief denken, Voetius na Ganzevoort. Gelukkig is een sterk punt van
de huidige tijd dat er van bijna alle belangrijke klassieke teksten
goede edities en vertalingen beschikbaar zijn. Dat die vaak een museaal
doel dienen, hoeft niemand ervan te weerhouden ze op een andere manier
te lezen.
'On the Reading of Old Books' van C.S. Lewis is niet in het Nederlands
vertaald. Het essay is onder andere te vinden in C.S. Lewis, Essay
Collection and Other Short Pieces. Edited by Lesley Walmsley.
HarperCollins, London, 2000. |
|
|
|
|
|