| |
Kanttekeningen bij drie populaire
atheïstische argumenten tegen het geloof in God.
Naar aanleiding van het laatste boek van Willem
Ouweneel De God die is: waarom ik geen atheïst ben werd
er een openbaar debat georganiseerd tussen Ouweneel en de bekende
atheïstische filosoof Paul Cliteur, waarvan in het tijdschrift
Ellips (april 2005) een samenvatting werd uitgebracht. In
atheïstische stellingnames kom je min of meer expliciet drie argumenten tegen die vaak tegen het christelijk geloof worden ingebracht. Sommige
argumenten zijn bedoeld als kritiek op het theïsme (zeg maar: christendom,
jodendom, islam), dus algemener van aard, maar treffen natuurlijk ook de
christelijke godsdienst; andere argumenten snijden daarentegen slechts hout
wanneer zij specifiek tegen het christelijke geloof en het christelijke
godsbeeld gericht zijn.
1) Een populair argument
luidt: God is slechts een projectie van de menselijke
geest. Deze stelling richt zich in principe tegen elke religieuze
godsvoorstelling. Wat de mens niet is, maar graag zou willen zijn, werpt hij als
het ware tegen een hemels projectiescherm. Onvervulde verlangens en menselijke
fantasieën leiden op deze manier tot de vorming van allerlei godsbeelden.
Volgens deze opvatting weerspiegelen de godsbeelden niet iets goddelijks, maar
iets menselijks, namelijk de menselijke conditie.
- De filosoof Ludwig Feuerbach (1804-1872), die deze
godsdienstkritiek heeft uitgewerkt, vatte het zo samen: theologie is
antropologie; dus: godgeleerdheid is in feite leer over de mens. Bij
Feuerbach stond zijn projectietheorie in dienst van de emancipatie van de mens.
De mens zou moeten leren zien, dat het 'goddelijke Opperwezen' het spiegelbeeld
van de menselijke soort is. Feuerbach spreekt in deze samenhang erover dat de
religie tot 'zelfvervreemding van de mens' leidt. Zijn verwachting was dan ook
dat wanneer de mens de zogenaamde goddelijke eigenschappen als zijn eigen
eigenschappen zou herkennen en ze voor zich zelf zou opeisen, hij dan werkelijk
vrij en gelukkig zou worden.
- Karl Marx (1818-1883) heeft de projectietheorie
overgenomen en haar ingepast in zijn omvattende maatschappij- en
kapitalismekritiek. Religie is een uitdrukking van de ellendige materiële
situatie van de mens. Zonder de troost van de religie zou de mens het niet vol
kunnen houden in dit tranendal. Voor Marx is religie echter een valse troost,
omdat die hem verhindert zijn lot in eigen hand te nemen. Marx' formule luidt:
religie is opium van het volk.
- Sigmund Freud
(1856-1939) greep
eveneens terug op Feuerbachs theorie. Hij verklaarde religieuze projectie echter
niet vanuit de sociaal-economische omstandigheden, maar vanuit psychologische
factoren. Religie was voor Freud een neurotisch verschijnsel; een teken van
onvolwassenheid. De religieuze mens is in Freuds visie iemand die niet op eigen
benen durft te gaan staan, maar die zich als een kind gedraagt, dat nog
afhankelijk is van de vader. Religie zou echter op illusie berusten, omdat er
volgens Freud geen hemelse Vader bestaat.
- In bepaald opzicht zou je hier ook de naam van de bekende
theoloog Karl Barth (1886-1968)
kunnen noemen, die in zijn vroege periode sterk op het
radicale onderscheid tussen geloof en religie hamerde: religie is
ongeloof. Voor Barth is alle religie projectie, dat is vanuit de
mens; het (christelijke) geloof echter komt van boven, vanuit God en is dus geen
projectie.
- Op zich is de basisgedachte van de projectietheorie al
heel oud. Reeds in de oudheid stelde de filosoof Xenofanes (ca. 570-477) dat de goden
slechts uitvergroot voorgestelde mensen waren. Met zijn kritiek op de
volksreligie wilde hij het echter opnemen voor de ware (filosofische) godheid,
die volgens hem geheel anders was dan alle menselijke verzinsels en
voorstellingen.
- Het is goed om de projectiekritiek allereerst als
zelfkritiek ter harte te nemen. Projectie is een algemeen menselijk fenomeen.
Achter mooie en vrome voorstellingen van zaken, zitten maar al te vaak
eigenbelang en zeer aardse interessen verborgen. Daar vormen godsdienst en het
kerkelijk leven helaas geen uitzondering op.
- Religie hoort bij de mens
- Een zwak punt van de projectietheorie als totaalkritiek
van de religie is echter het beeld van de mens en de geschiedenis, welk zij als
uitgangspunt onkritisch vooronderstelt. Ze hanteert namelijk impliciet het model
van een vervalsgeschiedenis in die zin als zou religie iets vreemds aan het
menszijn toegevoegd hebben. Alsof de goede natuurlijke oertoestand die zou zijn
van de vrije gelukkige mens zonder religie. Zulk een profaan neutraal zelfbeeld
van de mens is echter het product van onze moderne westerse cultuur. Maar, te
allen tijde, in alle culturen hebben mensen zich gezien en begrepen in het licht
van hun godsdienst en hun religieuze ervaringen. Godsbeeld en mensbeeld zijn
intrinsiek met elkaar verweven. Religie is niet iets secundairs. De geschiedenis
laat zien dat religie op karakteristieke wijze altijd bij de mens hoorde,
vergelijkbaar met de taal. Het is dus een grof anachronisme wanneer men religie
als illusie beschouwt, achteraf ontstaan door de werking van scheefgegroeide
psychologische of sociaal-economische toestanden. Je zou misschien met meer
recht de stelling kunnen omdraaien en zeggen: niet de menselijke ervaring
bepaalt het godsbeeld, maar het godsbeeld bepaalt de menselijke ervaring:
antropologie is theologie.
-
- De mens als projectie
- Dit gezegd hebbende lijkt de term projectie
echter wel geschikt om vanuit bijbels perspectief iets over de relatie tussen
mens en God te verhelderen. Het eerste hoofdstuk van de bijbel zegt dat de mens
'naar Gods beeld' is geschapen. De mens is in die zin 'beelddrager van God'.
Zonder inhoudelijk hierop in te gaan, kun je zeggen, dat in de mens 'iets' van
God waarneembaar of kenbaar moet zijn. De mens is dus als het ware het aardse
'projectiescherm' van God. Hier ligt, bijbels gezien, de oorsprong van het
religieuze projectievermogen van de mens.
-
- Projectie en vervreemding
- Tegelijk wijst de bijbel (Genesis hst. 3) ook op de
oorzaak van het illusionaire karakter van dit projectievermogen: er is een
fundamentele vervreemding opgetreden tussen mens en God - de zondeval. Nu is het
beeld van God nog slechts fragmentarisch te zien, verminkt, verduisterd en
verwrongen, dubbelzinnig, vaak onaantrekkelijk en lelijk, illusionair, ja
vals.
Hoe kun je uit deze situatie ontsnappen? Je kunt ofwel proberen het
bestaan van God te ontkennen en daarmee de relatie tussen God en mens, of je
kunt de relatie met God herstellen en daarmee het beeld van God in de mens. De
eerste weg is slechts een variant op de eindeloze reeks van vruchteloze pogingen
tot zelfverlossing. De tweede weg wordt ons gewezen door het evangelie van Jezus
Christus.
2) Een tweede argument
van het atheïsme hangt nauw met het eerste samen in die zin dat het om de
emancipatiegedachte gaat. Men zegt: Het geloof in God als het almachtige
Opperwezen zou een bedreiging vormen voor de menselijke vrijheid. Als
God bestaat, wat heeft de mens dan nog in te brengen? Is niet alles van
eeuwigheid al vastgelegd? Is menselijke vrijheid dan niet een fata-morgana? Zijn
wij dan niet slechts marionetten of robots?
- In naam van de menselijke vrijheid en autonomie moet dus
het geloof in God bestreden worden. Op deze manier wordt er een tegenstelling
geponeerd tussen het geloof in God en de menselijke vrijheid. Het zou dus niet
en-en zijn, maar of-of. En omdat de ervaring van menselijke vrijheid er nu
eenmaal is, zo is de redenering, moet het geloof in God wijken. Het bestaan van
God wordt dan niet in eerste instantie vanuit het verstand betwist, maar vanuit
de ervaring. De ervaring wordt tot maatstaf voor de geldigheid van religieuze
aanspraken. Deze benadering is bepalend geworden voor onze westerse cultuur. Men
spreekt immers van belevings- of ervaringscultuur, die trouwens haar intrek ook
in de kerk heeft genomen.
- Friedrich Nietzsche
(1844-1900), de
filosoof van het nihilisme, zei: "Als er een god was, hoe zou ik het kunnen
verdragen om geen god te zijn?" Voor Nietzsche is er maar een instantie voor
welke iedere waarheidsclaim zich moet legitimeren, namelijk 'het leven'. In naam
van 'het leven' meende hij de 'dood van God' te moeten verkondigen. God staat
bij hem immers voor het ressentiment tegen het leven, voor slavenmoraal, voor
onderdrukking van de vrijheid. Alleen wanneer de mens het geloof in God
hartgrondig en radicaal verwerpt, kan hij opklimmen tot de absoluut vrije mens,
die geen andere wet accepteert dan alleen de zijne; het "Ik wil het."
- Ook op dit punt moet het christendom zelfkritisch
erkennen, dat onderdrukking en onvrijheid maar al te vaak de kerkelijke agenda
bepaald hebben, samengevat door de noties 'kruistochten' en 'inquisitie'.
Bovendien raakt het verwijt, dat het bestaan van God tot een bedreiging van de
menselijke keuzevrijheid zou leiden, ook bepaalde theologische godsbeelden,
bijvoorbeeld extreme vormen van de predestinatieleer, die deterministische
wereldbeschouwingen tot gevolg kunnen hebben. Christenen moeten de kritiek ter
harte nemen, tegelijk moet echter ook gezegd worden, dat het hierbij wel om
karikaturen van God gaat.
- God als bevrijder
- De God, die Jezus van Nazaret geopenbaard heeft, ziet er
heel anders uit. Het kenmerkende van die God is namelijk, dat hij een bevrijder
en verlosser is. Dit geldt niet slechts voor het Nieuwe Testament maar ook voor
het Oude Testament. De godsdienst van Israël concentreert zich rondom de 'grote
daden van God', welke juist daden van bevrijding waren. De Tien Geboden worden
ingeleid met de formule "Ik ben de Heer, uw God, die u uit de slavernij bevrijd
heeft". God introduceert zichzelf als bevrijder. Het leven van Jezus staat
volledig in het teken van de bevrijding van gebondenheid en bezetenheid. Het
hoogtepunt daarvan is het kruis van Jezus, waarvan christenen belijden dat
daarin onze verlossing besloten ligt en daarmee de belofte van een nieuw leven
bij God.
-
- Geloof, hoop en liefde
- Ook bij dit tweede atheïstische argument is het eerder
omgekeerd: God is niet een bedreiging van de menselijke vrijheid, maar veeleer
de bron en de garantie van die vrijheid. De vrijheid van de mens is zelfs zo
groot, dat deze met rede gezien kan worden als een risicofactor (zie het derde
argument). Naast het begrip wedergeboorte staan vrije wil en navolging in de
christelijke traditie meer centraal dan het begrip onderwerping; zoals in de
islam. Wie in God gelooft, vertrouwt op de macht van de goddelijke liefde.
Geloven in God is een uiting van hoop die boven de dood uitreikt.
3) Het derde argument dat
tegen het geloof in God vaak naar voren wordt gebracht, luidt: als God
bestaat, waarom is er dan lijden in de wereld? Dit argument wordt soms
het atoomwapen van het atheïsme genoemd. Het is een argument waar je als
christen niet zomaar omheen kunt. De kracht van dit argument ligt daarbij niet
zozeer op theoretisch vlak, maar op het vlak van ervaring en gevoel.
- Over de logische structuur van dit argument zijn er door
competente christelijke denkers (Alvin Plantinga, Dr. Gregory A. Boyd, Philip
Yancey, Peter Kreeft e.a.) analyses verschenen, waarin wordt aangetoond dat de
aanwezigheid van het lijden in de wereld niet logisch-noodzakelijk het bestaan
van een liefdevolle God uitsluit. Maar de kracht van dat argument ligt daarin,
dat het lijden in de wereld niet in eerste instantie een intellectuele
moeilijkheid vormt maar een existentiële. Christenen worden net zo als andere
mensen door het lijden in de wereld aangegrepen. Misschien zou je kunnen zeggen:
juist een christen voelt de pijn omdat hij/zij weet dat het lijden niet de
bedoeling is.
- Even terug naar de logische kant van het argument. Er
zijn drie beweringen die, zo wordt gezegd, niet alle drie tegelijk waar kunnen
zijn: a) God is almachtig b) God is liefde c) er is lijden in de wereld. Het is
dus een argument tegen het bestaan van een almachtige en liefdevolle God, niet
tegen het bestaan van God op zich. Het lijden is een onbetwijfelbaar feit en het
is een toestand die niet zou mogen zijn. Waarom schaft God dan het lijden niet
af? Of hij kan niet, of hij wil niet. Als hij niet kan, dan is hij niet
almachtig. Dan helpt ook geen bidden en smeken, want God kan je nu eenmaal niet
helpen. Als hij echter niet wil dan is hij niet liefde. Dan krijg je met een
onbetrouwbare, willekeurige, ja sadistische God te maken; een angstaanjagende
gedachte. Een derde mogelijkheid is natuurlijk om het bestaan van het lijden te
ontkennen. Dit is echter een opvatting die je niet vaak tegenkomt. Het argument
richt zich dus voornamelijk tegen de christelijke belijdenis van een almachtige
God die liefde is. Dit trilemma (almacht, liefde, lijden) is in de theologie en
in de filosofie vaak behandeld en staat bekend onder de naam 'theodicee', dat is
de poging om God te rechtvaardigen tegenover het lijden van de wereld. Een van
de eersten die geprobeerd heeft om de theodiceevraag logisch sluitend te
beantwoorden was de filosoof Gottfried von Leibniz (1646-1716). Hij kwam tot de
conclusie dat deze wereld de 'beste van alle mogelijke werelden' is. Leibniz
heeft daarmee echter een (soms felle) discussie opgeroepen, die tot op de dag
van vandaag niet tot rust is gekomen.
- De vrije wil als risicofactor
- De problematiek wordt vaak samengevat in de
'waaromvraag'. Waarom is er lijden in de wereld? Nog existentiëler: waarom treft
het lijden mij? Op de eerste vraag zou je kunnen antwoorden: het lijden hangt
intrinsiek met de vrijheid van de mens samen. Wil je een vrije mens dan moet je
het risico, dat deze mens verkeerde dingen doet op de koop toe nemen. De
aanwezigheid van het lijden en het kwaad zou dus erop kunnen wijzen dat de mens
geschapen is met een eigen wil, en dat spreekt N.B. het tweede atheïstische
argument tegen. Dat is in wezen ook het antwoord van de bijbel. God heeft de
mens geschapen met een vrije wil. Maar die vrije wil was ook de risicofactoor;
met een theologische term: de mogelijkheid tot 'zondeval'.
-
- Een nieuw perspectief
- De 'waaromvraag' kun je echter ook anders opvatten. Niet
zozeer vanuit de behoefte om de aanwezigheid van het kwaad te verklaren, maar
vanuit de noodzaak om met het kwaad en het lijden om te gaan. Hoe kan ik mij
staande houden? Hoe kom ik er doorheen? Ben ik aan het kwaad overgeleverd of is
er hoop op overwinning van het kwaad? Waar is God wanneer mensen lijden? Het
zijn juist dit soort vragen waar de bijbel antwoord op geeft. Niet een
theoretisch verklarend antwoord, maar een existentieel antwoord. Een antwoord
dat je met heel je bestaan moet ontvangen. God distantieert zich niet van het
lijden en van de lijdende mens, maar hij heeft in zijn Zoon Jezus Christus juist
het lijden en de dood zelf ondergaan. De opstanding van Christus opent daarom
een nieuw perspectief, een nieuwe toekomst, een nieuwe wereld. Dit is het
perspectief dat in het laatste boek van het Nieuwe Testament geschetst wordt: Ik
zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde... Hij zal alle tranen uit hun ogen
wissen. Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn...
Hij die op de troon zat zei: 'Alles maak ik nieuw!' (Openbaring 21).
-
- Omkering van het argument
- Een christen ontkent niet het gewicht van het kwaad en
het lijden van deze wereld, integendeel, maar het is voor hem/haar geen argument
tegen het geloof in een liefdevolle almachtige God. Omgekeerd juist: God is de
bondgenoot in het verzet tegen het kwaad. God is de kracht van de hoop tegen
alle hopeloosheid. Het vertrouwen in God wordt in stelling gebracht tegen
zinloosheid en dood. Zoals gezegd, in existentieel opzicht kunnen ook christenen
hiermee worstelen (waar is God?) als lijden hun persoonlijk treft, maar ook dan
is de opgestane Christus onze hoop. In de Romeinen brief (hfst. 8) staat een
belofte: In deze hoop zijn we gered. Als we echter nu al zouden zien waarop we
hopen, zou het geen hoop meer zijn... Wat zal ons scheiden van de liefde van
Christus? Tegenspoed, ellende of vervolging, honger of armoede of het zwaard?...
De apostel Paulus was er in ieder geval van overtuigd dat niets ter wereld 'ons
zal kunnen scheiden van de liefde van God, die hij ons gegeven heeft in Christus
Jezus, onze Heer'.
-
-
Ds. Franco Schultz
Beschikbaar gesteld voor apologia.nl - Mei
2005
|
|