| |
Jezus, de gnosis en het dogma. Riemer
Roukema, Meinema Zoetermeer 2007, 294 blz., € 21,50.
Jezus en het Evangelie van Judas. Tom
Wright, Boekencentrum Zoetermeer 2007, 113 blz., € 12,50.
Vorig jaar besprak ik in Soteria twee boeken die aantonen dat
Jezus geen gnosticus was en dat er een doorlopende lijn is van Jezus via het
Nieuwe Testament naar de vroege kerk, Martie Dieperinks Op zoek naar het oorspronkelijke christendom en Craig Evans’ Fabricating Jesus. Later in hetzelfde
jaar verschenen er nog twee boeken over dit onderwerp, die ik hier samen
bespreek. Het boek van professor Roukema is dik en systematisch terwijl dat van
bisschop Wright een kort gelegenheidsgeschrift is.
Herinnert u zich dat
Judasevangelie nog, dat met veel poeha en commercie in 2006 werd gepubliceerd?
Zou het al vergeten zijn wanneer de Evangelischen zich niet zo hadden inspannen
om aan te tonen dat het ons niets over de historische Jezus vertelt? Nee,
waarschijnlijk niet. Zowel Roukema als Wright gebruikt “Judas” als een
interessante bron van informatie over wat Gnostici dachten in de tweede eeuw.
De theologie van “Judas” is anders dan die van het Thomasevangelie, dat beide
auteurs eveneens in de tweede helft van de tweede eeuw dateren. Roukema laat
“Judas” daarom vrij veel aan het woord. “Judas” verdient een eigen plaats in de
kerkgeschiedenis, afdeling Gnostiek – maar niet omdat deze tekst ons dichter
bij Jezus brengt.
Wright geeft een
uitvoerige inleiding op “Judas” en bespreekt vervolgens de Gnostiek en de
persoon Judas. Hij besteedt bovendien veel aandacht aan wat degenen beweegt die
dit nieuwe evangelie promoten. Hij schetst de wereld van de leidende
Amerikaanse onderzoekers, hun vooroordelen tegen het traditionele christelijk
geloof en hun “verlangen naar nieuwe bewijzen tegen het klassieke christendom”
(11). Wright draait de rollen om: hij haalt Jezus en het bijbelse geloof uit de
beklaagdenbank, zet “de nieuwe mythe over het ontstaan van het christendom”
erin en veroordeelt die als “klinkklare nonsens” (93). De beklaagden, Elaine
Pagels, Marvin Meyer, Bart Ehrman en anderen, worden schuldig verklaard aan het
verdraaien van de feiten omdat ze de canonieke en gnostische evangeliën op één
lijn zetten. Wright legt uit dat de canonieke evangeliën ons vertellen “dat
Jezus de Messias van Israël is, gekomen om het hemels koninkrijk van God op
aarde te vestigen”, terwijl “Judas” en “Thomas” dit juist als een misvatting
zien en willen afrekenen met het Jodendom en de God van het Oude Testament. Ze
zijn dus volkomen onverenigbaar.
De geleerde bisschop zet
de elitaire gnostici van verleden en heden behoorlijk te kijk. Dit wordt extra
relevant gemaakt doordat hij het radicale dualisme van “Judas” vergelijkt met
dat van de Dispensationalisten om te laten zien dat een vorm van gnostische
wereldmijding ook onder ons leeft. Helaas maakt hij in dat verband de rare fout
Dispensationalisten en Fundamentalisten op een hoop te gooien (101).
Wright herhaalt zichzelf
soms, wat voor leken misschien zinvol is. Het Engelse boekje, getiteld Judas and the Gospel of Jesus (!), bevat
uitvoerige eindnoten maar die zijn in de vertaling helaas bijna allemaal
weggelaten. De vertaalster heeft ook steken laten vallen: Zij spelt Ehrman met
dubbel –n (passim), zij laat Wright
zeggen dat Marcus niet voor 70 is geschreven (60), en meer.
Roukema presenteert een
systematisch, historisch-kritisch onderzoek naar wie Jezus is volgens de oudste
bronnen: de boeken van het Nieuwe Testament, enkele gnostische teksten, en de
vroege kerk. Waar komen de uiteenlopende visies op Jezus vandaan en hoe moeten
ze worden beoordeeld? Traditionele Jezusboeken beperkten zich tot het Nieuwe
Testament en de vroege kerk, maar Roukema wil nadrukkelijk ook naar de Gnostici
luisteren. Dat maakt zijn boek actueel, relevant voor de huidige tijd, en belangrijk,
maar minder geschikt voor eenvoudige gelovigen. Hij probeert onderscheid te
maken tussen wat historisch over
Jezus kan worden gezegd (wat de oudste bronnen bevatten) en wat men theologisch over Hem kan of wil zeggen
(het geloof of ongeloof van de lezer). Hij neemt niet klakkeloos aan wat het
Nieuwe Testament zegt maar erkent wel bijna alles als historisch betrouwbaar of
waarschijnlijk. Vrijwel steeds is zijn uitleg orthodox, degelijk en niet
speculatief. Evenals Dieperink en Evans laat Roukema de historische
continuïteit tussen Jezus en de kerk zien. Hoewel er veel goede en zeer recente
boeken in de voetnoten staan (compliment!), is Roukema met name in gesprek met
de bronteksten en laat hij zich niet verleiden tot polemiek tegen andere
wetenschappers. Met grote terughoudendheid verwijst hij slechts eenmaal naar
zijn voorganger C.J. den Heyer.
In de hoofdstukken 2-4
luistert hij naar wat de nieuwtestamentische en de gnostische evangeliën zeggen over
Jezus’ herkomst, identiteit, onderwijs, dood, opstanding en verhoging. De
Synoptici en Johannes blijken het behoorlijk eens te zijn! Hoofdstuk 5 trekt
voorlopige conclusies, met name dat de Gnostici reageerden op het geloof van de
kerk en dat hun visies dus secundair zijn. Het Nieuwe testament daarentegen
biedt een oud en geloofwaardig getuigenis over Jezus. Later lezen we, met
verwijzing naar De Da Vinci Code, dat
de populaire opvatting dat de kerk het ware onderricht van Jezus heeft
verdonkeremaand pure fictie is (193).
In de hoofdstukken 6-9
komen nieuwe onderwerpen aan de orde, respectievelijk het joodse christendom,
de vraag of Jezus ook geheim onderricht gaf, Jezus’ relatie tot het Jodendom
van zijn tijd en de ontwikkeling van het dogma tot en met het concilie van
Nicea. Deze hoofdstukken staan los van elkaar maar hoofdstuk 10 brengt
verbindende conclusies.
Voor uw recensent was
hoofdstuk 8, over de openheid van het vroege Jodendom voor meervoud in God
(“inclusief monotheïsme”), het meest verrassend. Het laat zien hoe de weg reeds
bereid was om Jezus (ook) als goddelijk te zien. Met name wat Roukema naar
voren haalt uit Philo van Alexandrië (202vv.) is opvallend. Hoofdstuk 9 is een
lange en soms moeizame tocht door de vroege kerk, inclusief adoptianisten,
modalisten, sabellianen en vele anderen. Roukema’s conclusie is dat de
geloofsbelijdenis van Nicea een verantwoorde vertolking is van de bijbelse
gegevens (250). Op p.258 wordt zelfs met instemming de Heidelbergse Catechismus
geciteerd. We hebben het uit Kampen (en uit de PKN) wel eens anders gehoord! Jammer
is dat op p.256 dan ineens staat dat Jezus zichzelf waarschijnlijk niet als God
gezien heeft. Deze conclusie staat haaks op eerdere delen van het boek (68-69!)
en ik vraag me af of er hier iets mis is met de tekst.
Roukema bewijst met dit
boek de kerk een grote dienst. Voor gewone gemeenteleden hangt de ruif hoog,
lijkt me, maar dat geeft niet.
Niets meer te wensen?
Jawel. Het zou beter zijn geweest als hoofdstuk 9 onderscheid had gemaakt
tussen het christologische en het trinitarische dogma, die nu door elkaar
behandeld worden. Roukema slaat bij de bijbelse gegevens in het begin van dit
hoofdstuk Openbaring over, en met Hebreeën doet hij überhaupt erg weinig. Over
de opstanding van Jezus is hij te vaag (139-140), en in dit kader had hij naar
N. T. (Tom) Wright (The resurrection of
the son of God, 2003) moeten
verwijzen. Het boek bevat helaas geen personenregister, en het register op
gnostische teksten is (te) beknopt. Maar alles overziend is er reden tot
dankbaarheid dat de leerstoel voor Nieuwe Testament in Kampen, als opvolger van
C.J. den Heyer, aan wat nu de Protestantse Theologische Universiteit heet,
bezet wordt door iemand die een boek als dit schrijft. Mogen er meer volgen!
Auteur: Pieter J. Lalleman
|
|