Dit artikel is eerder verschenen in het Nederlands Dagblad op VRIJDAG 28 SEPTEMBER 2007.
 

Het graf van Jezus. Het mysterie van de tombe van Jezus, Maria Magdalena en Judas
Jacob Slavenburg. Uitg. Walburg Pers, Zutphen 2007. 160 blz., € 19,95
------------------------- 

DOOR RIEMER ROUKEMA

De laatste jaren gonst het van geruchten over opzienbarende archeologische vondsten in Israël. Zo zou daar het beenderkistje van Jacobus, de broer van Jezus, zijn gevonden. Het opschrift hiervan luidt: ‘Jacobus, zoon van Jozef, broer van Jezus’. De Israëlische archeologische dienst heeft geoordeeld dat het kistje echt oud is, maar dat het laatste deel van de inscriptie, ‘broer van Jezus’, een latere vervalsing is. Het is ook nooit duidelijk geworden waar en wanneer dat kistje precies is opgegraven. Toch leggen niet alle geïnteresseerden zich neer bij het oordeel dat het opschrift deels is vervalst.

Een andere vondst betreft enkele beenderkistjes die in de wijk Talpiot te Jeruzalem zijn aangetroffen. De opschriften bevatten de namen Jezus de zoon van Jozef, Maria, Jose, Matja (Matteüs), Mariamme e Mara en Juda de zoon van Jezus. Het vermoeden is geuit dat hier het familiegraf van Jezus van Nazaret is gevonden. Mariamme e Mara zou dan Maria Magdalena zijn. DNA-onderzoek zou hebben uitgewezen dat zij geen familieverwant van deze Jezus was. Uit het feit dat haar kistje met dat van deze Jezus in één graf was gevonden, leiden sommigen af dat hij met haar was getrouwd. Jezus en Maria zouden een zoon met de naam Juda (ofwel Judas) hebben gehad.

De theorie dat in Talpiot het graf van Jezus van Nazaret is gevonden en dat hij met Maria Magdalena getrouwd was, wordt door Jacob Slavenburg gedeeld. Hij veronderstelt dat ook het beenderkistje van Jacobus oorspronkelijk uit datzelfde graf afkomstig was. Soms leest het boek dat hij hierover heeft geschreven als een thriller. Hij voert de lezer langs een groot aantal oude teksten en opschriften en vermeldt het commentaar van geleerden en journalisten. Het boek wordt echter ontsierd door allerlei verdachtmakingen aan het adres van archeologen en theologen die op grond van hun vooringenomenheid niet zouden willen erkennen dat hier het familiegraf van Jezus van Nazaret zou zijn gevonden. Slavenburg  noemt geleerden die er anders over denken dan hijzelf ,,geleerde betweters’’ die ,,hakken met een botte bijl’’. Hij kritiseert de theologen die willen vasthouden aan Jezus’ goddelijke status en aan Maria’s maagdelijkheid. Spottend schrijft hij dan: ,,Daar houdt de kerk niet van. En dat is te begrijpen.

Het is in deze tijd al moeilijk genoeg om de kudde bij elkaar te houden.’’ Zelf pleit Slavenburg voor een ,,onbevooroordeelde houding’’ tegenover zulke vondsten. In feite bouwt hij echter hypothese op hypothese om uit te komen bij zijn conclusie. Dat hij veel veronderstelt zonder dit te kunnen bewijzen, blijkt uit diverse zinsneden als: ,,Het is niet ondenkbaar dat…’’

Dit graf en Jezus’ opstanding
De twee belangrijkste vragen om op in te gaan, zijn: is hier het graf van Jezus van Nazaret gevonden, en: was Jezus met Maria Magdalena getrouwd?

Drie overwegingen bij de eerste vraag:

    1. De archeologen en historici die de opgravingen in Talpiot hebben onderzocht, wijzen erop dat de namen die erin voorkomen in die tijd zeer gangbaar waren. Er waren toen heel veel mensen die Jezus of Jozef of Maria heetten.

    2. Als hier inderdaad het graf van Jezus van Nazaret zou zijn gevonden, dan zou dat explosief materiaal zijn. Volgens de evangeliën is Jezus immers uit het graf opgestaan. Voor Slavenburgs kritiek op dit element op het christelijk geloof is het echter van belang dat er veel  nieuwtestamentici zijn die niet geloven dat Jezus op de derde dag na zijn kruisiging lichamelijk uit zijn graf is opgestaan. Zij menen dat dit een vrome legende is. Het is nu niet de plaats om nader op deze opvatting in te gaan. Toch is dit gegeven in dit verband van belang. Het zou Slavenburg immers te denken moeten geven dat de visie dat Jezus’ graf teruggevonden zou zijn ook in de hoek van deze kritische nieuwtestamentici geen aanhang vindt. Het gaat in hun geval niet op, dit aan hun vooringenomenheid te wijten.

    3. Het is moeilijk voor te stellen, hoe het vroege christendom heeft kunnen ontstaan als Jezus’ graf in Jeruzalem gewoon te vinden was, en zijn familieleden en zijn vrouw daarin later zouden zijn bijgezet. Dit graf en zijn beenderen zouden immers een evident bewijs zijn tegen de boodschap van zijn opstanding. Het had Jezus’ eerste volgelingen dan ook in grote verlegenheid kunnen brengen.

Jezus’ vermeende huwelijk
Nu de opvatting dat Jezus met Maria Magdalena getrouwd was. Deze veronderstelling is niet nieuw. Vreemd is dan wel dat het opschrift op het kistje met de naam van Jezus in het Aramees is gesteld, en het opschrift met de naam van Mariamme in Griekse letters. Dat wijst al niet op een bijzondere relatie. Dat twee kistjes met die namen in één graf zijn gevonden, zegt op zichzelf nog niets. Een belangrijk argument tegen deze veronderstelde huwelijksverbintenis is echter dat hiervan in de gehele vroegchristelijke literatuur geen enkele serieuze aanwijzing is te vinden. Slavenburg wijst hiervoor onder meer op een passage in het Evangelie van Filippus, dat stamt uit de tweede of derde eeuw. Daar staat dat Maria Jezus’ koinonos is. Dit Griekse woord kan met gezellin of partner worden vertaald, maar het heeft niet specifiek de betekenis van seksuele partner of echtgenote. Ook is er te lezen dat Jezus van Maria hield op een andere manier dan van zijn andere leerlingen, en dat hij haar vaak kuste. Elders in het Evangelie van Filippus heeft de kus echter een rituele en geen erotische betekenis (vergelijk 1 Korintiërs 16:20, ‘Groet elkaar met een heilige kus’). Belangrijk is dat Jezus’ andere leerlingen hem volgens dit evangelie vroegen: ‘Waarom houdt u meer van haar dan van ons allemaal?’ Daarop zou Jezus hebben geantwoord: ‘Waarom houd ik niet van jullie zoals van haar?’ Slavenburg neemt aan dat hieruit blijkt dat Jezus met Maria getrouwd was. Maar bij nauwkeurige lezing blijkt het tegendeel. Als Jezus met Maria Magdalena getrouwd was, dan had hij op de vraag van zijn andere leerlingen kunnen antwoorden: ‘Natuurlijk houd ik meer van haar dan van jullie. Zij is toch mijn vrouw!’ De vraag zelf zou dan al onzinnig zijn. Omdat Jezus dit antwoord niet geeft, blijkt dat Maria Magdalena volgens dit apocriefe evangelie een zeer toegewijde leerling van hem was, die in nauwe geestelijke gemeenschap (koinonia) met hem leefde. Hieraan kan worden toegevoegd dat ook de overgeleverde bladzijden van het apocriefe Evangelie van Maria (Magdalena) geen enkele zinspeling op dit vermeende huwelijk bevatten. Voorts is nergens in de vroegchristelijke literatuur – dus ook niet in deze beide apocriefe evangeliën – sprake van een zoon die Jezus zou hebben gehad.

Bovendien beroept Slavenburg zich voor Jezus’ vermeende huwelijk met Maria Magdalena op het apocriefe Evangelie van de Heilige Twaalven. Daarin staat dat Jezus op achttienjarige leeftijd trouwde met ene Mirjam. Wat Slavenburg niet vermeldt, is dat deze Mirjam volgens dit evangelie na zeven jaar overlijdt! Dit geschrift is echter al helemaal geen serieuze historische bron. Het is voor het eerst gepubliceerd in 1899 of 1900. De auteur, de Engelsman J.R. Ouseley, beweerde dat hij het Aramese manuscript van dit evangelie had ontvangen van geesten van overledenen. Maar hij heeft dit Aramese handschrift nooit aan deskundigen getoond. Het gaat hier dus om pure fictie.
 

Joods en gnostisch christendom
Er zouden nog allerlei andere aanmerkingen op Slavenburgs boek te maken zijn. Hij is zeer ingenomen met het zogenoemde ‘joodse christendom’, waarin Jezus gold als een door de Geest geïnspireerde profeet. De hemelse Christus zou op hem zijn neergedaald, en hij zou de ware bedoelingen van de wet van Mozes hebben onthuld. Slavenburg schrijft dat het de grootste dwaling uit de hele kerkgeschiedenis is geweest dat men het joodse christendom op een zijspoor heeft gezet. We kunnen ons afvragen wie die ‘men’ dan zijn. Het is eerder zo dat het joodse christendom in de eerste eeuwen minder invloed heeft gekregen, om begrijpelijke redenen. Het hield immers vast aan een striktere onderhouding van de wet van Mozes en dat wierp een barrière op voor belangstellenden die geen Joden waren. De bredere kerk hield zich aan de lijn van Paulus en andere apostelen, die aan de onderhouding van de wet van Mozes minder belang hechtten. Dat daarentegen allerlei gnostische geschriften volkomen recht doen aan Paulus’ gedachten, zoals Slavenburg schrijft, is misleidend geformuleerd. Dat Christus eerst in het vlees is verschenen als Jezus, en later in de geest als Christus – nog een opvatting van onze auteur – strookt niet met de oudste getuigenissen. Ook schrijft Slavenburg dat de latere kerk Jezus’ doop in de Jordaan als een onbetekenend detail in zijn leven terzijde heeft geschoven, maar dat is tendentieus gezegd. In ieder geval is Jezus’ doop in de oosters-orthodoxe kerken nog steeds een groot feest. Ook in westerse leesroosters komt dit verhaal ieder jaar terug.

Een kleinigheid: Kefas is niet het Griekse equivalent van het Latijnse Petrus, zoals Slavenburg meent; Kefa(s) is Aramees voor steen, en in het Grieks vertaald luidt deze naam Petros, in het Latijn weergegeven als Petrus. Hiermee verraadt hij zijn gebrek aan kennis van de Bijbelse talen. Het zou wenselijk zijn als Slavenburg zijn denigrerende toon ten aanzien van het traditionele christendom en de gangbare wetenschap matigt en zich meer verlaat op nuchtere argumenten. In dit boek wekt hij de indruk, al te graag met een sensationeel verhaal te willen komen. Dat mag – ook de boodschap van Jezus’ opstanding kan men sensationeel noemen – maar dit betekent dat Slavenburg een alternatief geloofsboek heeft geschreven, terwijl hij dit presenteert als een historische studie.

---------------------------

Dr. R. Roukema is hoogleraar Nieuwe Testament aan de Protestantse Theologische Universiteit, vestiging Kampen.
 
Copyright © 2006 apologia.nl