Dit artikel is eerder verschenen in Reflectie, jaargang 3, nummer 2.

 

Het evangelie van Thomas en Jezus

Sinds het evangelie van Thomas, dat in december 1945 in Egypte is teruggevonden, in 1959 is gepubliceerd, heeft het onophoudelijk in de belangstelling gestaan. Het bevat ruim honderd spreuken, korte gesprekken en gelijkenissen die veelal worden ingeleid met: “Jezus zei…” Een aanmerkelijk deel van die spreuken was voorheen onbekend. Velen die geïnteresseerd zijn in de oorsprong van het christendom beschouwen dit evangelie als een waardevolle bron die ons meer over Jezus kan leren dan in de nieuwtestamentische evangeliën staat. Hierbij moet echter de vraag worden gesteld, in hoeverre dit evangelie echt betrouwbare informatie over Jezus bevat. De meningen daarover lopen uiteen.

Wie is de auteur?
Volgens het opschrift van het evangelie van Thomas bevat het de geheime woorden die Jezus de Levende heeft gesproken en die Didymus Judas Thomas heeft opgeschreven. Dit opschrift vraagt echter direct om een kritische notitie. Het kwam in de oudheid regelmatig voor
dat iemand een boek schreef op andermans naam. Zo waren er enkele boeken van Henoch, maar het is volkomen duidelijk dat die niet zijn geschreven door de mythische figuur Henoch die volgens Genesis 5:18-24 voor de zondvloed leefde. Deze boeken zijn in de eeuwen voor het begin van onze jaartelling in een Joods milieu geschreven op grond van oude tradities over Henoch, die kort in Genesis 5 worden aangestipt. Zo ook is er rond het begin van de jaartelling het boek “de Wijsheid van Salomo” geschreven, dat echter zeker niet van koning Salomo afkomstig is. Op soortgelijke wijze moeten we veronderstellen dat niet Thomas, een van Jezus’ naaste leerlingen, dit evangelie dat zijn naam draagt heeft samengesteld, maar dat een onbekende latere auteur het onder diens naam heeft samengesteld. Overigens is ook van de evangeliën die in het Nieuwe Testament staan niet zeker wie ze heeft geschreven. De namen van Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes zijn er waarschijnlijk in de tweede eeuw boven gezet, maar dit betekent niet dat zij daarom echt door hen zijn geschreven. Deze evangeliën waren oorspronkelijk anoniem. 

Van het evangelie van Thomas menen veel historici dat niet alle uitspraken die hierin op naam van Jezus staan, op Jezus zelf teruggaan, net zomin als dat de historische persoon Thomas ze allemaal zelf heeft verzameld.

Wie is Jezus? Verschillende antwoorden
Uiteraard vraagt deze stellingname om een argumentatie. Laten we eens kijken naar het evangelie van Thomas 13. Daar wordt dit gesprekje vermeld:

Jezus zei tot zijn leerlingen: “Vergelijk me met iemand en zeg me op wie ik lijk.” Simon Petrus zei hem: “Je lijkt op een rechtvaardige engel.” Mattheüs zei hem: Je lijkt op een verstandige filosoof.” Thomas zei hem: “Meester, mijn mond is er helemaal niet toe in staat te zeggen op wie jij lijkt.” Jezus zei: “Ik ben je meester niet. Want jij hebt gedronken en bent dronken geworden van de opborrelende bron die ik heb aangeboord.” En hij nam hem terzijde en zei hem drie woorden. Toen Thomas bij zijn vrienden terug kwam, vroegen ze hem: “Wat heeft Jezus je gezegd?” Thomas zei: “Als ik jullie een van de woorden zeg die hij mij heeft gezegd, dan zullen jullie stenen nemen en die naar mij werpen, en vuur zal uit de stenen komen en jullie verbranden.”

Volgens dit getuigenis is Thomas in een geheim, esoterisch onderricht van Jezus ingewijd, dat zelfs de andere leerlingen van Jezus niet konden verdragen. Dit gesprek staat echter niet op zichzelf. Een andere versie ervan komt voor in de evangeliën die deel uitmaken van het Nieuwe Testament. In het evangelie van Marcus wordt het zo beschreven:

Jezus en zijn leerlingen trokken naar de dorpen bij Caesarea van Filippus. En onderweg vroeg Hij zijn leerlingen: “Wie zeggen de mensen dat Ik ben?” Ze zeiden Hem: “Johannes de Doper, volgens anderen Elia, en weer anderen zeggen: ‘Een van de profeten.’” Hij vroeg hun: “En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?” Petrus antwoordde Hem: “U bent de Messias.” Hij verbood hun met iemand over Hem te spreken. (Marcus 8:27-30 Willibrordvertaling)

In dit evangelie is het Petrus die het “goede” antwoord geeft, namelijk dat Jezus de Messias ofwel de Christus is. In twee hiermee verwante evangeliën verloopt het gesprekje soortgelijk, maar is Petrus’ antwoord iets anders geformuleerd; in het evangelie van Matteüs 16:16 luidt het: “U bent de Messias, de Zoon van de levende God” en in het evangelie van Lucas 9:20: “U bent de Messias van God”. Ook het evangelie van Johannes bevat een herinnering aan dit voorval; daar zegt Petrus: “Wij geloven vast en zeker dat U de Heilige van God bent” (Johannes 6:68 Willibrordvertaling).

De evangeliën van Matteüs, Marcus en Lucas weerspiegelen de belangrijke positie die Petrus onder Jezus’ eerste leerlingen en in het vroege christendom innam. Petrus’ positie werd echter ook wel aangevochten. Dat blijkt al in het evangelie van Johannes, waar zijn plaats minder prominent is dan in de andere nieuwtestamentische evangeliën. Daar is het Maria, de zuster van Martha en Lazarus, die vrijwel dezelfde belijdenis uitspreekt als in het evangelie van Matteüs aan Petrus wordt toegeschreven: “Ik geloof vast dat U de Messias bent, de Zoon van God” (Johannes 11:27 Willibrordvertaling). Toch wordt Petrus in het evangelie van Johannes niet gediskwalificeerd. Dit blijkt uit Johannes 21, waar de verrezen Jezus hem opdraagt zijn schapen te hoeden.

In het vroege christendom waren er echter ook volgelingen van Jezus die de prominente plaats van Petrus helemaal niet erkenden. In die kringen heeft men het verhaal over Jezus’ vraag wie hij volgens de mensen was herschreven. Deze alternatieve versie treffen we aan in het evangelie van Thomas 13. Daar geeft Petrus niet het “goede” antwoord, maar komt hij niet verder dan dat Jezus “een verstandige filosoof” was. Thomas is daar degene die het “goede” antwoord geeft. Hij heeft ingezien dat Jezus’ ware identiteit onbenoembaar is. Daarom wordt hij verder ingewijd in een aspect van Jezus’ onderricht dat zo geheim was dat het zelfs niet in de geheime woorden van dit evangelie is opgenomen.

Zelf stem ik in met de opvatting dat de versie van het evangelie van Thomas een polemiek tegen de dominantie van Petrus in de vroege kerk weerspiegelt. Ik concludeer daarom dat de versie van het evangelie van Thomas secundair is ten opzichte van de evangeliën van Matteüs, Marcus en Lucas.

Aan wie is de leiding over Jezus’ volgelingen toevertrouwd?
Dat het evangelie van Thomas 13 van een latere datum is, wordt bovendien bevestigd door het gesprekje dat er vlak voor staat (in 12). Dat luidt aldus:

De leerlingen zeiden tot Jezus: “Wij weten dat jij ons zult verlaten. Wie zal dan onze leider zijn?” Jezus zei hun: “Waar jullie ook terechtgekomen zijn, ga daar naar Jakobus de rechtvaardige, omwille van wie de hemel en de aarde zijn ontstaan.”

Jezus beantwoordt hier de vraag van zijn leerlingen, wie na zijn dood hun leider zal zijn, door te wijzen op Jakobus. Van Paulus (Galaten 1:19) en de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus (Joodse Oudheden 20, 200) weten dat deze Jakobus een broer van Jezus was (vgl. Matteüs 13:55 en Marcus 6:3). Nu blijkt uit het nieuwtestamentische boek Handelingen 15:13, 21:18 en uit Paulus’ brief aan de Galaten 1:19, 2:9 en 2:12 dat Jakobus inderdaad een leidende rol in de vroege joods-christelijke gemeente van Jeruzalem heeft gespeeld. Het is echter onwaarschijnlijk dat Jezus tijdens zijn leven echt zijn broer Jakobus heeft aangewezen als degene die na zijn dood aan zijn volgelingen leiding moest geven. Het evangelie van Johannes 7:5 meldt zelfs dat Jezus’ broers aanvankelijk niet in hem geloofden, en dat beeld wordt later niet bijgesteld (zo ook Marcus 3:21 en 3:31-35). Wel vermeldt Paulus een traditie dat Jezus na zijn opstanding uit de dood apart aan Jakobus is verschenen (1 Korintiërs 15:7); dit heeft stellig bijgedragen aan zijn prestige in de kring van Jezus’ leerlingen. Toch is het onder historici gangbaar om de aan Jezus toegeschreven aanwijzing dat na zijn dood Jakobus de leider van zijn volgelingen zou worden, niet als historisch betrouwbaar op te vatten, maar als een uitspraak die hem in de mond is gelegd door die Joodse christenen voor wie Jakobus inmiddels de grote leider was geworden. Deze christenen waren kennelijk kritisch over het leiderschap van Petrus, dat volgens andere tradities door Jezus aan hem was toevertrouwd. We kunnen daarom concluderen dat de uitspraak in het evangelie van Thomas 12 wel oud is, maar niet op Jezus zelf teruggaat.

Nu is het opmerkelijk dat Jezus volgens het evangelie van Thomas eerst wijst op het leiderschap van Jakobus, maar vervolgens Thomas noemt als Jezus’ meest ingewijde leerling. Reinhard Nordsieck meent in zijn commentaar op het evangelie van Thomas (van 2004) dat de traditie over Thomas als Jezus’ meest ingewijde leerling later is gevormd dan de uitspraak over Jakobus als de toekomstige leider. In het algemeen probeert Nordsieck zoveel mogelijk aan te tonen dat de uitspraken die in dit evangelie op naam van Jezus staan ook echt van hem afkomstig kunnen zijn, maar hier acht hij dat zeer onwaarschijnlijk.

Ten aanzien van het evangelie van Thomas 13 kunnen we zo concluderen dat de weergave van dat gesprek over Jezus’ identiteit secundair is ten opzicht van de nieuwtestamentische evangeliën én van spreuk 12, waar staat dat Jakobus de leider zou worden. Ook kunnen we concluderen dat voor de samensteller van dit evangelie Thomas belangrijker was dan Jakobus, Petrus en Matteüs. Zo getuigen deze teksten van de rivaliteit die er in het vroege christendom nu eenmaal bestond. De ene groepering beriep zich op Petrus als de belangrijkste apostel, een andere groepering beriep zich vooral op Jakobus, een derde richting op Paulus, en er waren ook christenen die zich van deze groeperingen distantieerden en voor wie Thomas de apostel bij uitstek was. Iemand van deze laatste groep heeft allerlei spreuken op naam van Jezus verzameld en gerangschikt onder het opschrift van zijn geestelijke held, Thomas. Daarmee is echter niet gezegd dat deze spreuken allemaal op Jezus zelf teruggaan.

Uitspraken zonder uitleg
Karakteristiek voor dit evangelie op naam van Thomas is, dat het niet verklaart wat “Jezus” met zijn vaak raadselachtige uitspraken bedoelde. Je moet naar de uitleg zoeken, staat er in de eerste twee spreuken
.

Enkele van de aan Jezus toegeschreven uitspraken zijn verwant met de gnostiek die aan het eind van de eerste eeuw en in de tweede eeuw van de jaartelling opkwam. In de gnostiek gaat het om een hoge transcendente God en een lagere God die verantwoordelijk is voor de stoffelijke wereld. Ook gaat het er om hemelse, goddelijke zielen die als vonkjes in aardse lichamen zijn uitgezaaid en wier doel het is weer terug te keren naar de hoge goddelijke wereld van het licht. De gnostiek heeft Grieks-filosofische en Joodse wortels en er waren christenen die aan de boodschap van Jezus een gnostische interpretatie gaven. De neerslag van deze versmelting van verschillende tradities is onder meer te vinden in enkele spreuken van het evangelie van Thomas, al moet hierbij gezegd worden dat de gnostische inslag vaak niet openlijk aan de oppervlakte komt. Een voorbeeld van een gnostisch, of tenminste met de gnostiek verwant stukje onderricht is het volgende (evangelie van Thomas 50):

Jezus zei: “Als ze jullie zeggen: ‘waar zijn jullie vandaan gekomen?’, zeg hun dan: ‘wij zijn uit het licht gekomen, van de plaats waar het licht uit zichzelf is ontstaan. Het ging staan en verscheen in hun evenbeeld.’ Als ze jullie zeggen: ‘zijn jullie het?’, zeg dan: ‘wij zijn zijn zonen en wij zijn de uitverkorenen van de levende Vader.’ Als ze jullie vragen: ‘wat is het bewijs dat jullie Vader in je is?’, zeg hun dan: ‘het is beweging en rust.’”

Het gaat hier waarschijnlijk om de vragen die de engelen die de wacht houden bij de planeten stellen aan de zielen die na de dood van het aardse lichaam willen opstijgen naar het licht waar zij oorspronkelijk vandaan gekomen waren. De zielen moeten aan die engelen de goede wachtwoorden geven om te worden doorgelaten naar omhoog. In andere gnostische teksten behoren deze engelen toe aan de lagere Schepper-God. Naar deze engelen van de God van de materiële wereld wordt ook verwezen in het evangelie van Thomas 21:

Maria zei tot Jezus: “Op wie lijken jouw leerlingen?” Hij zei: “Ze lijken op jongetjes die verblijven op een veld dat niet van hen is. Wanneer de eigenaars van het veld komen, zullen die zeggen: ruim het veld voor ons! Voor hun ogen doen zij hun kleren uit om voor hen het veld te ruimen en het hun terug te geven.”

Met het veld is de aarde bedoeld, de jongetjes zijn Jezus’ ingewijden die zich van hun aardse lichamen ontdoen en van de aarde opstijgen naar omhoog, zodra de engelen van de lagere God de aarde opeisen. Omdat zulk onderricht niet voorkomt in de oudere evangeliën die in het Nieuwe Testament staan, en het verwant is met gnostische getuigenissen uit de tweede eeuw, is het praktisch uitgesloten dat zulk gnostisch getint onderricht echt van Jezus zelf afkomstig is.

Evaluatie
Deze historische, analytische benadering van de diverse tradities over Jezus en zijn eerste volgelingen lijkt misschien eenzijdig verstandelijk en weinig spiritueel. Toch is er een groot belang mee gemoeid, namelijk de vraag uit welke geschreven bronnen wij Jezus kunnen leren kennen. In historisch opzicht zijn er geen overtuigende argumenten dat de Jood Jezus een geheim gnostisch onderricht gaf dat slechts voor een enkeling onder zijn volgelingen bestemd was. Deze stellingname correspondeert met het oordeel van de kerkvaders van de eerste eeuwen. Zij voelden aan dat veel van de spreuken op naam van Jezus in het evangelie van Thomas een andere geest ademden dan in de oudere evangeliën. Daarom hebben zij het evangelie van Thomas afgewezen als een betrouwbare bron van Jezus’ onderricht. Persoonlijk meen ik dat dit in historisch en in theologisch opzicht een verantwoorde keuze was.
-------------------------------------------------------------------------------------------
Dr. R. Roukema is hoogleraar Nieuwe Testament aan de Theologische Universiteit van de Protestantse Kerken in Nederland te Kampen. Hij verzorgde de uitgave Het Evangelie van Thomas ingeleid en vertaald. Met de Koptische en Griekse teksten, Zoetermeer, uitgeverij Meinema, 2005.

 
Copyright © 2006 apologia.nl