Dit artikel is eerder in iets andere vorm verschenen in Trouw, 12 april 2006.
 

De traditie van het evangelie van Judas      Riemer Roukema

Het onlangs bekend gemaakte evangelie van Judas is volgens deskundigen afkomstig van gnostici van de tweede eeuw van de jaartelling. Prof. Hans van Oort heeft daaraan toegevoegd dat diverse ideeën nog ouder zijn en voor een deel zijn te verbinden met voorstellingen die leefden in de christelijke oergemeente van Jeruzalem. De erkenning dat het evangelie van Judas misschien een enkel vroegchristelijk element bevat, zou de suggestie kunnen wekken dat het hele evangelie daarom uit oeroud materiaal bestaat. Men zou daaruit kunnen opmaken dat het dan wellicht ook als geheel betrouwbaarder kunnen zijn dan de evangeliën die in de Bijbel zijn opgenomen. Me dunkt echter dat deze suggestie met kracht moet worden verworpen. Wie het evangelie van Judas vergelijkt met andere gnostische getuigenissen uit de tweede eeuw, kan vaststellen dat het geschrift in een bepaalde traditie staat. Gnostici keerden zich namelijk tegen de opvattingen van de hoofdstroom van het christendom, kortweg “de kerk” (al was die aanvankelijk niet zo hiërarchisch georganiseerd als later). In de hoofdstroom van het christendom geloofde men in de Heer, de God die in het Oude Testament voorkomt en met wie men Jezus associeerde. Gnostici meenden echter veelal dat de God van het Oude Testament een mindere god was en dat Jezus de kennis van een hogere God had geopenbaard. De God van het Oude Testament noemden zij niet altijd de Heer (JHWH), maar bijvoorbeeld Jaldabaoth of de demiurg (= Schepper).

Omdat gnostici de oudtestamentische voorstelling van God als minderwaardig beschouwden, namen zij het soms op voor die figuren die volgens het Oude Testament door deze God waren gestraft. Dit betekent dat de slang in het paradijs, de moordenaar Kaïn, de mensen die omkwamen in de zondvloed en de ongastvrije inwoners van Sodom bij diverse gnostici juist sympathie genoten, omdat zij zich tegen de oudtestamentische God zouden hebben verzet. Er waren dus gnostici die concludeerden dat zij die er slecht af kwamen in het Oude Testament dat in de kerk gelezen werd, daarom wel aan de goede kant van Jezus’ hogere God moesten staan en al in de ware gnosis waren ingewijd. Dit wordt “protestexegese” genoemd.

Met het bekendworden van het evangelie van Judas blijkt dat zoiets ook is gebeurd met betrekking tot de persoon van Judas. In de hoofdstroom van het christendom gold Judas als degene die de Joodse leiders had getipt, waar zij hem het beste gevangen konden nemen. Volgens de evangeliën van Matteüs, Marcus en Lucas werd aan Judas beloofd dat hij daar geld voor zou krijgen; opmerkelijk genoeg staat dit overigens ook in het evangelie van Judas. In het evangelie van Johannes heet Judas “een duivel” en “de zoon des verderfs” (hij die verloren moest gaan). Omdat er in kerkelijke kringen negatief werd gedacht over Judas, heeft een onbekende gnostische auteur het principe van de protestexegese ook op hem toegepast. Zo heeft hij, uit reactie, Judas als Jezus’ leerling bij uitstek beschreven, die Jezus juist heel goed begrepen had en het beste met hem voor had. Judas zou dan over die geheime, innerlijke kennis hebben beschikt waarop gnostici zich beriepen. Dit procédé is ook uit andere geschriften bekend. In het evangelie van Thomas is het niet deze Judas, maar Thomas die als enige Jezus echt heeft begrepen, terwijl andere leerlingen zoals Petrus en Matteüs als onwetenden worden beschreven. Omdat Petrus in de hoofdstroom van het christendom als Jezus’ voornaamste leerling werd gezien, protesteerden gnostici hiertegen door andere leerlingen naar voren te schuiven, tot Judas aan toe. Het zou echter onjuist zijn te suggereren dat die keuze ook historisch correct zou kunnen zijn. Deze visie is immers duidelijk ingegeven door een gnostische ideologie, volgens welke de oudtestamentische en vroegchristelijke gegevens uit reactie anders werden gewaardeerd dan in de kerkelijke uitleg.

Hiermee wil ik niet zeggen dat alles wat er in het Nieuwe Testament staat historisch gezien altijd volkomen correct is. Kritisch onderzoek van de evangeliën heeft verschillende oude lagen en latere tradities blootgelegd. Het zou echter een stap terug zijn, om nu het tweede-eeuwse evangelie van Judas onkritisch te accepteren als een serieuze beschrijving van de toedracht van Jezus’ arrestatie en dood. De oudste en meest betrouwbare bronnen daarvan zijn nog steeds te vinden in de geschriften die de kerk in de canon van het Nieuwe Testament heeft opgenomen. Zelfs historisch gesproken was die keuze nog niet zo gek.

-------
Dr. R. Roukema is hoogleraar Nieuwe Testament aan de Theologische Universiteit Kampen. 

 
Copyright © 2006 apologia.nl