|
Andere bronnen dan de bijbel? door Riemer Roukema
Er lijken zich twee
tegengestelde ontwikkelingen te voltrekken. Enerzijds distantiëren veel mensen
zich van de christelijke kerk en van het geloof dat daar wordt beleefd en
beleden. Anderzijds is er een grote belangstelling voor het vroege christendom,
en dan vooral voor alternatieve visies daarop; dit blijkt uit de verkoop van
boeken die gaan over oude buitenbijbelse bronnen over Jezus en zijn eerste
leerlingen. Enkele vondsten van oude handschriften hebben die belangstelling
sterk gevoed. In 1945 zijn bij het Egyptische stadje Nag Hammadi oude boeken
gevonden die ongeveer vijftig onbekende openbaringen, evangeliën en brieven
bevatten. Deze documenten zijn bewaard gebleven in de Egyptische taal, het
Koptisch. Het geschrift dat hiervan het meest bekend is geworden, is het
Evangelie van Thomas. Bovendien is tussen 1947 en 1962 in de omgeving van
Qumran bij de Dode Zee in Israël een groot aantal boekrollen in het Hebreeuws
en het Aramees gevonden. Deze vondst betrof de bibliotheek van een afgescheiden
joodse groepering. We vinden hierin liederen, gebeden, voorschriften, apocriefe
boeken, handschriften van het Oude Testament en verklaringen van
oudtestamentische boeken.
Op grond van deze vondsten
wordt wel verdedigd dat het Nieuwe Testament een eenzijdig beeld van Jezus
geeft en veel essentiële informatie verzwijgt. Er wordt gesteld dat die andere
boeken het traditionele beeld van Jezus corrigeren en dat de kerk de waarheid
over hem heeft weggestopt. Dit artikel gaat over de vraag in hoeverre deze
opvatting juist is.
Dodezeerollen
Over de joodse boekrollen van
Qumran kunnen we kort zijn: die gaan niet over Jezus en zijn eerste leerlingen.
Ze stammen bijna allemaal uit de tijd vóór Jezus’ optreden en kunnen daarom ook
geen nieuwe informatie over hem bevatten. Wel zijn die boekrollen van groot
belang omdat ze ons een beter beeld geven van het jodendom waarmee Jezus
vertrouwd was. Vaak komt zijn onderricht dat wij kennen uit de
nieuwtestamentische evangeliën in een helderder licht te staan, omdat we nu
veel meer van de achtergrond ervan weten.
Nu is wel beweerd dat de kerk,
vooral het Vaticaan, de publicatie van de Dodezeerollen heeft tegengehouden
omdat zij gegevens zouden bevatten die voor het christendom schadelijk zouden
zijn. Wie houdt van complottheorieën en jegens de kerk een groot wantrouwen
koestert, is wellicht geneigd om zulk soort beschuldigingen te geloven, maar de
nuchtere waarheid is dat hier niets van klopt.
Gnostische geschriften
De geschriften van Nag Hammadi
gaan wel over Jezus en zijn eerste leerlingen. Kenners van de begintijd van het
christendom hechten een grote waarde aan deze geschriften, omdat zij een beter
inzicht geven in de ontwikkelingen van het vroege christendom. Bovendien zijn
er, afgezien van de boeken van Nag Hammadi, ook andere apocriefe geschriften
teruggevonden, die dit beeld van de begintijd van het christendom aanscherpen.
Veel van die geschriften zijn geschreven door gnostici die meenden dat
Jezus een speciale kennis (gnosis) leerde, waardoor je kon worden
verlost.
De christelijke gnostici
vormden een brede beweging met grote onderlinge verschillen. Sommigen stonden
in contact met apocriefe joodse tradities, anderen hadden een meer
Grieks-filosofische inslag, en van deze beide inspiratiebronnen bestaan tal van
mengvormen. Het merendeel van de gnostische werken is geschreven of
samengesteld in de tweede en derde eeuw van de jaartelling. Dit betekent dat
deze geschriften in het algemeen van later datum zijn dan de boeken van het Nieuwe
Testament. We vinden hierin dus getuigenissen van mensen die zich verbonden
voelden met Jezus, maar in allerlei opzichten afweken van het geloof in hem
zoals dat in het Nieuwe Testament is geformuleerd.
De waardering van het Oude
Testament
Waarin komen die verschillen
tot uiting? Een belangrijk punt is, op welke wijze Jezus in de traditie van het
jodendom en het Oude Testament staat. In het Nieuwe Testament lezen we dat
Jezus zichzelf ziet in de lijn van Mozes, de oudtestamentische profeten en de
psalmen. Tegelijk is hij soms kritisch over de manier waarop de joodse
schriftgeleerden en Farizeeën die boeken uitlegden en toepasten. In Matteüs 5
blijkt hij in zijn onderwijs zelfs radicaler te zijn dan de voorschriften van
de wet van Mozes. Toch zijn alle evangelieschrijvers van het Nieuwe Testament
het erover eens dat in de persoon van Jezus allerlei oudtestamentische
profetieën van een beloofde Verlosser zijn vervuld. De manier waarop Jezus en
de eerste christenen het Oude Testament uitlegden, past in het jodendom van die
tijd. Vanzelfsprekend geloofden zij in God de Schepper die Mozes en de profeten
had geïnspireerd.
Geheel anders was echter de
houding die de gnostici doorgaans tegenover het Oude Testament innamen. Zij
beschouwden de God van het Oude Testament, Jahwe, als een mindere god, omdat
zij hem al te streng, en zelfs wreed, willekeurig en dom vonden. Jezus zou
volgens hen een zuiverder beeld van God hebben gepredikt, en zo de kennis van
een hogere god hebben verkondigd.
Volgens het Evangelie van Thomas
(52) zeiden Jezus’ leerlingen eens tot hem:
Vierentwintig profeten hebben in Israël gesproken
en allemaal hebben ze gesproken door jou.
Hiermee wordt bedoeld dat de oudtestamentische profeten al
door Jezus waren geïnspireerd; dit is het gangbare standpunt dat de profeten en
Jezus op één lijn stonden. In dit evangelie luidt Jezus’ antwoord echter:
Jullie zijn voorbijgegaan aan de Levende die bij jullie is
en jullie hebben gesproken over de doden.
Jezus wijst hier op zichzelf
als de Levende en diskwalificeert de oudtestamentische profeten als doden, aan
wie je dus niets meer hebt. Hiermee is het positieve verband tussen deze
profeten en Jezus doorgesneden. Omdat Jezus in werkelijkheid een positieve
verhouding tot het Oude Testament had, is het duidelijk dat dit gesprekje niet
echt kan hebben plaatsgevonden. Het is daarentegen Jezus en zijn leerlingen
later in de mond gelegd door iemand die weinig met het Oude Testament ophad.
Stellen we bij dit voorbeeld
de vraag of hier een belangrijke nieuwe openbaring aan het licht komt, dan
luidt het antwoord: nee. Dit gesprekje bevat een getuigenis van latere
christen-gnostici die kritisch waren over het Oude Testament.
De mens heeft iets van God in
zich
Volgens de gnostici hadden de
mensen in principe een lichtdeeltje van de hoogste god in zich. Zij geloofden
dat wie ertoe uitverkoren was om zich van dat goddelijke vonkje bewust te
worden, weer in contact met de ware god kwam te staan, en na de dood naar zijn
hoge hemel zou kunnen opstijgen. Dat werd beschouwd als de ware verlossing.
Zo’n opvatting komt ook voor bij de Griekse filosoof Plato en werd in die tijd
wel vaker aangehangen. Gnostici hebben ingewikkelde mythologische openbaringen
overgeleverd waarin werd uitgelegd hoe die goddelijke lichtdeeltjes van de
hoogste god in de wereld gevangen geraakt waren en hoe zij daaruit konden
worden bevrijd. In de boeken van Nag Hammadi zijn zulke openbaringen op naam
van Jezus en zijn apostelen gesteld. Zo lijkt het dat die boeken nieuwe
openbaringen bevatten. De vraag is echter: zijn die openbaringen afkomstig van
Jezus zelf of van zijn eerste leerlingen, of zijn zij hun later in de mond
gelegd? Nuchtere wetenschappers zeggen dat in die openbaringen de opvattingen
van latere christen-gnostici aan het licht komen, en niet het onderricht van
Jezus en zijn eerste leerlingen zelf.
Er zijn in onze tijd echter
genoeg mensen die zich van zo’n wetenschappelijk oordeel weinig aantrekken. Zij
kunnen of willen niet geloven dat de evangeliën van het Nieuwe Testament een
relatief betrouwbaarder beeld van Jezus’ eigen onderricht geven dan die
gnostische boeken uit een iets latere tijd. Die houding heeft vaak te maken met
een afkeer van het traditionele christelijke geloof. Wie zich daarvan
distantieert, kent vaak een grotere waarde toe aan die oude bronnen die de kerk
in de eerste eeuwen niet als gezaghebbend heeft geaccepteerd.
Betrouwbare en onbetrouwbare
tradities
Toch staan er in die
gnostische geschriften soms inderdaad teksten en verhalen die historisch
betrouwbaar zouden kunnen zijn. In het Evangelie van Thomas staan uitspraken
van Jezus die we uit andere bronnen niet kennen en die oorspronkelijk van hem
afkomstig zouden kunnen zijn. Ze voegen echter weinig toe aan het beeld van
Jezus dat we uit het Nieuwe Testament krijgen. In het apocriefe (en misschien
niet-gnostische) Evangelie van Maria en in andere gnostische teksten wordt een
botsing tussen de apostel Petrus en Maria Magdalena beschreven. Het ging
daarbij om de positie die Maria Magdalena in het vroegste christendom innam.
Zo’n overlevering kan heel goed op een echte gebeurtenis teruggaan. Op grond
daarvan kunnen we vermoeden dat Maria Magdalena aanvankelijk meer invloed had
dan uit de nieuwtestamentische geschriften blijkt.
Behalve de gnostische
getuigenissen uit de eerste eeuwen bestaan er nog vele andere overleveringen
over Jezus, zoals dat hij in India zou zijn geweest. Maar hierover horen voor
het eerst pas in 1894. Deze traditie is dus veel jonger dan de gnostische
boeken uit het vroege christendom, en is volkomen onbetrouwbaar.
Evaluatie
Hoewel gnostische
overleveringen meestal niet op de historische Jezus teruggaan, is het wel
begrijpelijk waarom bepaalde groepen destijds tot hun opvattingen kwamen. Het
is goed voorstelbaar dat niet-joodse christenen van de eerste eeuwen die het
Oude Testament begonnen te lezen, moeite hadden met het grillige beeld van God
dat daaruit soms oprijst. Zij hebben dus een oplossing voor dit probleem
gezocht, door Jezus te beschouwen als de boodschapper van een hogere god. Ook
voegden zij allerlei andere visies van die tijd aan Jezus’ onderricht toe, en
bekritiseerden zij de gangbare visies op Jezus als de gekruisigde en opgestane
Verlosser. De christenen van de algemene christelijke (‘katholieke’) kerk
hebben de band tussen het Oude Testament en Jezus willen vasthouden, ondanks de
moeilijkheden waarvoor het Oude Testament hen stelde. Die visie op Jezus is
historisch betrouwbaarder. De nieuwe openbaringen die aan Jezus zijn
toegeschreven zeggen meer over de mensen die ze opschreven of aanhingen dan
over Jezus.
------------------------
Dr. R. Roukema is hoogleraar
Nieuwe Testament aan de Theologische Universiteit Kampen.
|