Dit artikel is eerder verschenen in het Ouderlingenblad nr. 953, oktober 2005, p. 7-10.
 

Andere bronnen dan de bijbel?         door Riemer Roukema

Er lijken zich twee tegengestelde ontwikkelingen te voltrekken. Enerzijds distantiëren veel mensen zich van de christelijke kerk en van het geloof dat daar wordt beleefd en beleden. Anderzijds is er een grote belangstelling voor het vroege christendom, en dan vooral voor alternatieve visies daarop; dit blijkt uit de verkoop van boeken die gaan over oude buitenbijbelse bronnen over Jezus en zijn eerste leerlingen. Enkele vondsten van oude handschriften hebben die belangstelling sterk gevoed. In 1945 zijn bij het Egyptische stadje Nag Hammadi oude boeken gevonden die ongeveer vijftig onbekende openbaringen, evangeliën en brieven bevatten. Deze documenten zijn bewaard gebleven in de Egyptische taal, het Koptisch. Het geschrift dat hiervan het meest bekend is geworden, is het Evangelie van Thomas. Bovendien is tussen 1947 en 1962 in de omgeving van Qumran bij de Dode Zee in Israël een groot aantal boekrollen in het Hebreeuws en het Aramees gevonden. Deze vondst betrof de bibliotheek van een afgescheiden joodse groepering. We vinden hierin liederen, gebeden, voorschriften, apocriefe boeken, handschriften van het Oude Testament en verklaringen van oudtestamentische boeken.

Op grond van deze vondsten wordt wel verdedigd dat het Nieuwe Testament een eenzijdig beeld van Jezus geeft en veel essentiële informatie verzwijgt. Er wordt gesteld dat die andere boeken het traditionele beeld van Jezus corrigeren en dat de kerk de waarheid over hem heeft weggestopt. Dit artikel gaat over de vraag in hoeverre deze opvatting juist is.

Dodezeerollen
Over de joodse boekrollen van Qumran kunnen we kort zijn: die gaan niet over Jezus en zijn eerste leerlingen. Ze stammen bijna allemaal uit de tijd vóór Jezus’ optreden en kunnen daarom ook geen nieuwe informatie over hem bevatten. Wel zijn die boekrollen van groot belang omdat ze ons een beter beeld geven van het jodendom waarmee Jezus vertrouwd was. Vaak komt zijn onderricht dat wij kennen uit de nieuwtestamentische evangeliën in een helderder licht te staan, omdat we nu veel meer van de achtergrond ervan weten.

Nu is wel beweerd dat de kerk, vooral het Vaticaan, de publicatie van de Dodezeerollen heeft tegengehouden omdat zij gegevens zouden bevatten die voor het christendom schadelijk zouden zijn. Wie houdt van complottheorieën en jegens de kerk een groot wantrouwen koestert, is wellicht geneigd om zulk soort beschuldigingen te geloven, maar de nuchtere waarheid is dat hier niets van klopt.

Gnostische geschriften
De geschriften van Nag Hammadi gaan wel over Jezus en zijn eerste leerlingen. Kenners van de begintijd van het christendom hechten een grote waarde aan deze geschriften, omdat zij een beter inzicht geven in de ontwikkelingen van het vroege christendom. Bovendien zijn er, afgezien van de boeken van Nag Hammadi, ook andere apocriefe geschriften teruggevonden, die dit beeld van de begintijd van het christendom aanscherpen. Veel van die geschriften zijn geschreven door gnostici die meenden dat Jezus een speciale kennis (gnosis) leerde, waardoor je kon worden verlost.

De christelijke gnostici vormden een brede beweging met grote onderlinge verschillen. Sommigen stonden in contact met apocriefe joodse tradities, anderen hadden een meer Grieks-filosofische inslag, en van deze beide inspiratiebronnen bestaan tal van mengvormen. Het merendeel van de gnostische werken is geschreven of samengesteld in de tweede en derde eeuw van de jaartelling. Dit betekent dat deze geschriften in het algemeen van later datum zijn dan de boeken van het Nieuwe Testament. We vinden hierin dus getuigenissen van mensen die zich verbonden voelden met Jezus, maar in allerlei opzichten afweken van het geloof in hem zoals dat in het Nieuwe Testament is geformuleerd.

De waardering van het Oude Testament
Waarin komen die verschillen tot uiting? Een belangrijk punt is, op welke wijze Jezus in de traditie van het jodendom en het Oude Testament staat. In het Nieuwe Testament lezen we dat Jezus zichzelf ziet in de lijn van Mozes, de oudtestamentische profeten en de psalmen. Tegelijk is hij soms kritisch over de manier waarop de joodse schriftgeleerden en Farizeeën die boeken uitlegden en toepasten. In Matteüs 5 blijkt hij in zijn onderwijs zelfs radicaler te zijn dan de voorschriften van de wet van Mozes. Toch zijn alle evangelieschrijvers van het Nieuwe Testament het erover eens dat in de persoon van Jezus allerlei oudtestamentische profetieën van een beloofde Verlosser zijn vervuld. De manier waarop Jezus en de eerste christenen het Oude Testament uitlegden, past in het jodendom van die tijd. Vanzelfsprekend geloofden zij in God de Schepper die Mozes en de profeten had geïnspireerd.

Geheel anders was echter de houding die de gnostici doorgaans tegenover het Oude Testament innamen. Zij beschouwden de God van het Oude Testament, Jahwe, als een mindere god, omdat zij hem al te streng, en zelfs wreed, willekeurig en dom vonden. Jezus zou volgens hen een zuiverder beeld van God hebben gepredikt, en zo de kennis van een hogere god hebben verkondigd.

Volgens het Evangelie van Thomas (52) zeiden Jezus’ leerlingen eens tot hem:

    Vierentwintig profeten hebben in Israël gesproken
    en allemaal hebben ze gesproken door jou.

Hiermee wordt bedoeld dat de oudtestamentische profeten al door Jezus waren geïnspireerd; dit is het gangbare standpunt dat de profeten en Jezus op één lijn stonden. In dit evangelie luidt Jezus’ antwoord echter:

    Jullie zijn voorbijgegaan aan de Levende die bij jullie is
    en jullie hebben gesproken over de doden.

Jezus wijst hier op zichzelf als de Levende en diskwalificeert de oudtestamentische profeten als doden, aan wie je dus niets meer hebt. Hiermee is het positieve verband tussen deze profeten en Jezus doorgesneden. Omdat Jezus in werkelijkheid een positieve verhouding tot het Oude Testament had, is het duidelijk dat dit gesprekje niet echt kan hebben plaatsgevonden. Het is daarentegen Jezus en zijn leerlingen later in de mond gelegd door iemand die weinig met het Oude Testament ophad.

Stellen we bij dit voorbeeld de vraag of hier een belangrijke nieuwe openbaring aan het licht komt, dan luidt het antwoord: nee. Dit gesprekje bevat een getuigenis van latere christen-gnostici die kritisch waren over het Oude Testament.  

De mens heeft iets van God in zich
Volgens de gnostici hadden de mensen in principe een lichtdeeltje van de hoogste god in zich. Zij geloofden dat wie ertoe uitverkoren was om zich van dat goddelijke vonkje bewust te worden, weer in contact met de ware god kwam te staan, en na de dood naar zijn hoge hemel zou kunnen opstijgen. Dat werd beschouwd als de ware verlossing. Zo’n opvatting komt ook voor bij de Griekse filosoof Plato en werd in die tijd wel vaker aangehangen. Gnostici hebben ingewikkelde mythologische openbaringen overgeleverd waarin werd uitgelegd hoe die goddelijke lichtdeeltjes van de hoogste god in de wereld gevangen geraakt waren en hoe zij daaruit konden worden bevrijd. In de boeken van Nag Hammadi zijn zulke openbaringen op naam van Jezus en zijn apostelen gesteld. Zo lijkt het dat die boeken nieuwe openbaringen bevatten. De vraag is echter: zijn die openbaringen afkomstig van Jezus zelf of van zijn eerste leerlingen, of zijn zij hun later in de mond gelegd? Nuchtere wetenschappers zeggen dat in die openbaringen de opvattingen van latere christen-gnostici aan het licht komen, en niet het onderricht van Jezus en zijn eerste leerlingen zelf.

Er zijn in onze tijd echter genoeg mensen die zich van zo’n wetenschappelijk oordeel weinig aantrekken. Zij kunnen of willen niet geloven dat de evangeliën van het Nieuwe Testament een relatief betrouwbaarder beeld van Jezus’ eigen onderricht geven dan die gnostische boeken uit een iets latere tijd. Die houding heeft vaak te maken met een afkeer van het traditionele christelijke geloof. Wie zich daarvan distantieert, kent vaak een grotere waarde toe aan die oude bronnen die de kerk in de eerste eeuwen niet als gezaghebbend heeft geaccepteerd.

Betrouwbare en onbetrouwbare tradities
Toch staan er in die gnostische geschriften soms inderdaad teksten en verhalen die historisch betrouwbaar zouden kunnen zijn. In het Evangelie van Thomas staan uitspraken van Jezus die we uit andere bronnen niet kennen en die oorspronkelijk van hem afkomstig zouden kunnen zijn. Ze voegen echter weinig toe aan het beeld van Jezus dat we uit het Nieuwe Testament krijgen. In het apocriefe (en misschien niet-gnostische) Evangelie van Maria en in andere gnostische teksten wordt een botsing tussen de apostel Petrus en Maria Magdalena beschreven. Het ging daarbij om de positie die Maria Magdalena in het vroegste christendom innam. Zo’n overlevering kan heel goed op een echte gebeurtenis teruggaan. Op grond daarvan kunnen we vermoeden dat Maria Magdalena aanvankelijk meer invloed had dan uit de nieuwtestamentische geschriften blijkt.

Behalve de gnostische getuigenissen uit de eerste eeuwen bestaan er nog vele andere overleveringen over Jezus, zoals dat hij in India zou zijn geweest. Maar hierover horen voor het eerst pas in 1894. Deze traditie is dus veel jonger dan de gnostische boeken uit het vroege christendom, en is volkomen onbetrouwbaar.

Evaluatie
Hoewel gnostische overleveringen meestal niet op de historische Jezus teruggaan, is het wel begrijpelijk waarom bepaalde groepen destijds tot hun opvattingen kwamen. Het is goed voorstelbaar dat niet-joodse christenen van de eerste eeuwen die het Oude Testament begonnen te lezen, moeite hadden met het grillige beeld van God dat daaruit soms oprijst. Zij hebben dus een oplossing voor dit probleem gezocht, door Jezus te beschouwen als de boodschapper van een hogere god. Ook voegden zij allerlei andere visies van die tijd aan Jezus’ onderricht toe, en bekritiseerden zij de gangbare visies op Jezus als de gekruisigde en opgestane Verlosser. De christenen van de algemene christelijke (‘katholieke’) kerk hebben de band tussen het Oude Testament en Jezus willen vasthouden, ondanks de moeilijkheden waarvoor het Oude Testament hen stelde. Die visie op Jezus is historisch betrouwbaarder. De nieuwe openbaringen die aan Jezus zijn toegeschreven zeggen meer over de mensen die ze opschreven of aanhingen dan over Jezus.

------------------------ 
Dr. R. Roukema is hoogleraar Nieuwe Testament aan de Theologische Universiteit Kampen.

 
Copyright © 2006 apologia.nl