|
|
|
| |
Evangelie van Judas is historisch
onbetrouwbaar
Ook in orthodox-kerkelijke kring slaat de twijfel soms toe
als men leest over de verschijning van een apocrief evangelie dat een heel ander
licht werpt op de rol van Judas en zijn verhouding met Jezus, zoals in het
recent ook in het Nederlands verschenen apocriefe Evangelie van Judas.
Onderstaand artikel laat zien dat het historisch gesproken volkomen duidelijk is
dat het hier gaat om een latere ontwikkeling die niet op Jezus zelf
teruggaat.Het apocriefe Evangelie van Judas is
dit voorjaar in het Koptisch en in het Engels gepubliceerd, en onlangs is het
ook in een Nederlandse vertaling van de hand van professor J. van Oort
uitgekomen. In dat 'evangelie' wordt Judas beschreven als Jezus' beste en meest
ingewijde leerling. Het feit dat hij Jezus overleverde aan de hogepriesters en
schriftgeleerden, wordt er als een weldaad beschreven, want Jezus' dood wordt er
aangekondigd als een verlossing van zijn innerlijk.
Deze voorstelling van
de verhouding tussen Judas en Jezus roept allerlei vragen op. Is er enige reden
om Judas op grond van dit evangelie nu in een heel ander licht te gaan zien? Is
Judas in de bijbelse evangeliën te negatief afgeschilderd? Hoe betrouwbaar zijn
de overleveringen die nu in het Evangelie van Judas aan het licht gekomen
zijn?
Uitspraken van Jezus
Laat ik aanknopen bij een
veronderstelling van professor Van Oort. Hij acht het mogelijk dat er in het
Evangelie van Judas drie korte uitspraken van Jezus staan die misschien echt zo
uit zijn mond hebben geklonken. Die drie uitspraken zijn niet opzienbarend; ze
voegen dus amper iets toe aan onze kennis van Jezus' onderricht. Of die drie
uitspraken van Jezus in dat Evangelie van Judas echt van Jezus stammen, wil ik
nu in het midden laten - ik ben er niet zo zeker van, maar die wetenschappelijke
discussie moet elders worden gevoerd. Uit deze voorzichtige veronderstelling is
echter af te leiden dat alle andere uitspraken van Jezus in dit apocriefe
evangelie volgens professor Van Oort dus onbetrouwbaar zijn. Dit betekent dat er
in dit evangelie Jezus allerlei uitspraken in de mond worden gelegd, die hij
onmogelijk kan hebben gedaan. Ik zal daarvan een voorbeeld geven.
In het
begin van het evangelie moet Jezus lachen om een godsdienstoefening van zijn
twaalf leerlingen. Jezus zegt tot hen dat zij dat niet doen uit hun eigen wil,
maar dat hun God daardoor wordt geprezen. Zij antwoorden dat zij bidden en
danken zoals het hoort, en belijden Jezus als de Zoon van hun God. Jezus geeft
echter een afwerend antwoord: 'Waaraan kennen jullie mij? Voorwaar ik zeg
jullie, geen enkel mensengeslacht uit jullie midden zal mij kennen.' Wanneer
Jezus hun gebrek aan kennis ziet, zegt hij tot hen: 'Waarom zijn jullie in de
war en boos? Jullie God die in jullie is, heeft jullie innerlijk geërgerd.'
Judas blijkt dan als enige te weten waar Jezus vandaan komt: van het hoge rijk
van Barbelo. Ook zegt Judas dat hij het niet waard is de naam uit te spreken van
degene die Jezus gezonden heeft.
Gnostiek
De
achtergrond van dit voorval is heel herkenbaar voor wie een beetje thuis is in
de wereld van de vroege gnostiek. De opvattingen die hier naar voren komen, zijn
namelijk bekend uit een groot aantal gnostische geschriften uit de tweede en
derde eeuw van de jaartelling. Gnostici meenden veelal dat de God van het Oude
Testament een lagere, zelfs minderwaardige God was; dit dachten zij omdat de
HEER God in het Oude Testament willekeurig, wreed en jaloers op hen overkwam.
Daarom geloofden zij dat Jezus een hogere, meer geestelijke God had verkondigd.
Die God was louter geest en licht en kon zich daarom onmogelijk hebben ingelaten
met zoiets twijfelachtigs als het scheppen van deze wereld; volgens gnostici was
de lagere God daarentegen verantwoordelijk voor de schepping van de wereld en
van de menselijke lichamen.
Barbelo
In het Evangelie
van Judas zien we dat Jezus' leerlingen, als echte Joden, de God van het Oude
Testament aanbidden. Jezus weet dat ze niet openstaan voor zijn onderricht dat
hij zelf niet van die God afstamt, maar verwant is met en gezonden door de
hogere God. Judas wordt beschreven als zijn enige leerling die dit inziet; hij
noemt zelfs de naam van een goddelijke gestalte uit de hoge hemel van de ware
God, namelijk Barbelo.
Men veronderstelt wel dat die naam betekent 'God
in vier', en dat dit verwijst naar de vier letters van de naam van God in het
Oude Testament: JHWH ofwel Jahweh, de HEER. Deze uitleg is echter niet zeker.
Hoe dit ook zij, in het Evangelie van Judas wordt op gezag van Jezus een
onderscheid tussen een hogere en een lagere God geïntroduceerd, waarmee Judas
bekend zou zijn geweest.
Is dit nu historisch betrouwbaar? Het antwoord
kan kort zijn. Nee natuurlijk. Deze visie op God kan onmogelijk van Jezus zelf
afkomstig zijn, maar hoort thuis in de gnostische beweging die aan het eind van
de eerste eeuw opkwam. In de tweede en derde eeuw van de jaartelling werden
zulke opvattingen aan de rand van het christendom ontwikkeld, en ook christenen
van de kerk kwamen soms onder het beslag hiervan. Historisch gesproken is het
echter volkomen duidelijk dat dit een latere, secundaire ontwikkeling is die
niet op Jezus zelf teruggaat.
Ketters
Om die reden
hebben de kerkleiders van de tweede, derde en vierde eeuw er niet over gepiekerd
om aan geschriften zoals het Evangelie van Judas enig gezag toe te kennen. Zij
waren wel met zulke opvattingen bekend, maar zij hebben ze als ketters van de
hand gewezen.
Nu is het een theologisch oordeel, iets als ketterij te
brandmerken. In dit geval blijken de kerkleiders echter ook in historisch
opzicht het gelijk aan hun kant te hebben gehad. Met haar keuze voor de
evangeliën van Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes heeft de kerk gekozen voor de
oudste en meest betrouwbare evangeliën. Alle deskundigen zijn het erover eens
dat die evangeliën zijn geschreven in de eerste eeuw van de jaartelling, en dat
het Evangelie van Judas uit de tweede eeuw stamt en dus verder van Jezus af
staat.
Als het begin van het Evangelie van Judas historisch zo
onbetrouwbaar blijkt te zijn, dan roept dit de vraag op of we de rest ervan dan
wel kunnen vertrouwen. Zouden we uit de positieve schildering van Judas in dit
evangelie moeten concluderen dat hij in werkelijkheid minder duivels was dan hij
in enkele teksten van de Bijbelse evangeliën wordt beschreven? Er zijn
Bijbelgeleerden die er zo over denken; zij wijzen dan bijvoorbeeld op Johannes
6:70-71 en 17:12, waar Jezus Judas 'een duivel' en 'de zoon des verderfs' noemt.
Zij menen dat dit Jezus achteraf zo in de mond is gelegd. Het is heel
begrijpelijk dat andere Bijbellezers moeite hebben met deze visie en haar niet
accepteren.
Helden
Hoe dit ook zij, in ieder geval is
het onverantwoord uit reactie op de kritische beschrijving van Judas in de
Bijbelse evangeliën dan maar geloof te schenken aan het zeer positieve beeld van
Judas dat voorkomt in dit apocriefe evangelie dat in zijn naam is geschreven.
Het is van belang dat we ons realiseren dat gnostici wel vaker kritisch waren
over de personen die er in de Bijbel en in de kerk slecht af kwamen. Mensen als
Kaïn en Esau beschouwden zij als hun helden, omdat zij in opstand waren gekomen
tegen die minderwaardige God van het Oude Testament. Hun conclusie was dat zulke
personen dan moeten hebben geweten van die hogere God. Vandaar dat zij ook
Judas, die in de kerk als Jezus' verrader te boek stond, achteraf als hun held
hebben beschouwd. Met historisch betrouwbare overleveringen heeft dat niets van
doen.
Wat moeten we dus denken van het Evangelie van Judas? In historisch
opzicht biedt het een zeer interessante aanvulling van onze kennis van de
gnostiek van de tweede eeuw. In geloofsopzicht hoeven we ons er niets van aan te
trekken. Terecht heeft de kerk van de eerste eeuwen zulke geschriften afgewezen.
Over Jezus' echte 'evangelie van het Koninkrijk' (Matteüs 4:23) hebben die
gnostische evangeliën niets te melden.
-------
Dr. R. Roukema is
hoogleraar Nieuwe Testament aan de Theologische Universiteit Kampen (Koornmarkt
/ Oudestraat). Hij schreef: 'Gnosis en geloof in het vroege christendom. Een
inleiding tot de gnostiek', uitgeverij Meinema, 2004 (tweede druk).
|
|
|
|
|
|